Christendom en socialisme

Wat hier volgt is het eerste hoofdstuk van ‘Verder met Nederland,’ mijn boek dat aan het slot van mijn loopbaan bij Buitenlandse Zaken in januari 2001 het licht heeft gezien. Omdat het boek (of beter: boekje)  alleen nog tweedehands verkrijgbaar is, heb ik mij voorgenomen stukken die nog enige actualiteitswaarde zouden kunnen bezitten, bij gelegenheid op mijn website te zetten. Aangezien het boekje het midden houdt tussen een mini-autobiografie en een politiek pamflet, had ik de keus het onder POLITIEK of PROFIEL te plaatsen. Ik heb voor het eerste gekozen omdat ik verwacht dat deze website op den duur meer politiek dan autobiografisch van aard zal zijn, maar het eerste hoofdstuk beschrijft wel mijn eerste twaalf levensjaren en gaat dus vanzelfsprekend minder in op het toen heersende politieke klimaat dan op de invloed die dat via mijn ouders op mij moet hebben uitgeoefend.

Ik ben geboren onder het tweede kabinet-Colijn. Het had ook anders kunnen lopen, want anderhalve maand voor mijn geboorte had een uitspraak van de antirevolutionaire minister van Binnenlandse Zaken, mr. J.A. de Wilde, het voort­bestaan van het kabinet een ogenblik in gevaar gebracht. In zijn toespraak tot de jaarlijkse bijeenkomst der christelijke jongelingsverenigingen op Hemelvaartsdag (10 mei) 1934 had De Wilde zijn gehoor toevertrouwd dat Colijn bij de kabinetsformatie van 1933 het radiowezen naar Binnenlandse Zaken had overgeheveld omdat hij dit voor het geestelijke leven zo gevoelige medium liever in handen zag van iemand met een positieve levensbeschouwing dan van de liberale minister van Waterstaat. Deze onthulling had bij de linkse partijen (dat waren naar toenmalig spraakgebruik naast de so­ciaal-democraten, vrijzinnig-democraten en communisten ook de liberalen) grote verontwaardiging gewekt, en dat het kabinet dit incident had overleefd, was vooral te danken geweest aan de inschikkelijkheid van de liberale minister in kwestie, ir. J.A. Kalff, die bereid was gebleken met een nietszeggende verduidelijking van De Wilde genoegen te nemen. Overigens zou het radiowezen dat volgens De Wilde beter niet aan een liberale minister kon worden toevertrouwd, op de hedendaagse lezer een vertrouwde indruk hebben gemaakt, want de omroepverenigingen anno 1934 waren de AVRO, de KRO, de NCRV, de VARA en de VPRO.

De Nederlandse politiek hield zich dat jaar ook wel met belangrijkere zaken bezig. In Italië en Duitsland was de parlementaire democratie geweken voor de dictatuur, en in de Tweede Kamer werd heftig gedebatteerd over de vraag wat er ook bij ons in de staatsinstellingen moest worden gewijzigd om ze met de nieuwe tijd in overeenstemming te brengen. Het kabinet-Colijn moest niets hebben van de corporatieve staat maar stond niet a priori negatief tegenover de ontwikkeling van de maatschappij in corporatieve zin.

Het dacht daarbij dan hooguit aan wat men publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie placht te noemen. Voor mr. P.J.M. Aalberse van de Rooms-Katholieke Staatspartij ging dit niet ver genoeg. De Italiaanse aanval op Abessinië had nog niet plaatsgevonden, en Mussolini’s bewind genoot nog vrij algemeen respect voor de maatschappelijke ordening die het teweeg had gebracht. Aalberse vond dat de regering de corporatieve staat niet met de totale staat mocht verwarren. In de encycliek Quadragesimo anno van 1931 had paus Pius XI zich positief over de corporatieve staat uitgelaten.

Het concentratiekamp Dachau was op de dag van mijn geboorte al ruim vijftien maanden in bedrijf, maar Duitsland kwam in de Tweede Kamer zelden ter sprake, in de eerste plaats omdat niemand er het Duitse systeem aan het Nederlandse volk ten voorbeeld stelde – de NSB had aan de verkiezingen van 1933 niet deelgenomen –, en in de tweede plaats omdat het fascistische Italië door zijn voorsprong van acht jaar een veel ordelijkere indruk maakte. Ik was vijf dagen oud toen SA-leider Röhm op aandringen van Göring en Himmler door Hitler uit de weg werd geruimd. Aangezien Röhm voor het ergste bruinhemdengeweld aansprakelijk werd geacht, dachten of hoopten veel Nederlanders dat hiermee ook Duitsland een stap in de richting van orde en res­pectabiliteit had gezet. De gedachte dat de ontwikkelingen in Duitsland en Italië voor ons land op den duur een bedreiging konden gaan vormen, kwam in 1934 in de Tweede Kamer kennelijk nog bij niemand op. Wat de gemoederen veel meer bezighield, was de vraag of christenen zich al dan niet in christelijke partijen behoorden te organiseren.

Die vraag leefde ook sterk in mijn ouderlijk huis. Mijn ouders waren lid van de Christelijk-Historische Unie (CHU), en mijn vader had met onder anderen mr.dr. P. Lieftinck zitting in de commissie die met de hoofdredactie van het dagblad tot verbreiding van de christelijk-historische beginselen De Nederlander was belast. Tot de Duitse inval in de meidagen van 1940 domineerden twee thema’s het hoofdredactionele commentaar van die krant: ten eerste de relatie tussen geloof en politiek, dat wil zeggen de wijze waarop christenen zich in de politiek dienden te organiseren, en ten tweede de ordening, dat wil zeggen de vraag of de overheid wezenlijk mocht en zelfs moest ingrijpen in het economische leven. Ondanks de statutaire band tussen het dagblad en (het program van beginselen van) de CHU was het bestaansrecht van christelijke partijen voor De Nederlander geen vanzelfsprekendheid. Godsdienst kon door de krant als historisch gegroeide grondslag voor partijvorming worden aanvaard, maar het maatschappelijk isolement van het christelijk volksdeel werd krachtig van de hand gewezen. Wat de ordening betrof, sprak de krant zich uit voor uitbreiding van de sturende en interveniërende rol van de overheid in het economische en maatschappelijke leven. Voor Lieftinck was dit primair een zaak van pragmatische crisisbestrijding, voor mijn vader vloeide het verlangen naar ordening vooral voort uit de christelijke gemeenschapsgedachte.

Om beide redenen nam De Nederlander tegenover de SDAP een welwillende houding aan, die scherp afstak bij het afwijzende standpunt van de liberaleNieuwe Rotterdamsche Cou­rant en de antirevolutionaire Standaard. Vanaf 1935 vonden ontmoetingen plaats tussen CH-mensen uit de kring van De Nederlanderen SDAP-voormannen als Albarda, Vorrink, Drees, Wiardi Beckman en Van der Goes van Naters, en op 10 augustus 1939 verwelkomde De Nederlander de totstandkoming van het tweede kabinet-De Geer en typeerde zij de opname van sociaal-democratische ministers in dat kabinet als een stap vooruit. Negen maanden later brak de oorlog uit en na 15 oktober 1941 mocht De Nederlandervan de Duitse bezetter niet meer verschijnen.

Vanaf dat moment was mijn vader betrokken bij de uiteenlopende vormen van overleg over de vormgeving van de naoorlogse verhoudingen. Op religieus gebied betrof dit het streven naar herkerstening van de Nederlandse samenleving, en op politiek gebied ging het om de doorbreking van de oude partijverhoudingen. De onderwerpen waren nauw met elkaar verwant, vormden in feite één geheel. De Kerk had haar invloed in de samenleving verloren doordat het christelijk volksdeel zich in christelijke partijen had afgezonderd, en de daardoor teweeggebrachte tegenstelling tussen die partijen en de sociaal-democratie had ertoe geleid dat de ordening van het maatschappelijk leven in de vooroorlogse politiek geen kans had gekregen. De machteloosheid van de politiek tegenover de werkloosheid in de jaren dertig dreigde aldus met het christendom te worden geassocieerd.

Ik kan moeilijk nagaan op welk moment ik als kind voor het eerst iets van dit alles heb begrepen, maar mijn moeder heeft in een vroeg stadium geprobeerd mijn broer en mij uit te leggen waar mijn vader mee bezig was. In de bezettingstijd ging dit gepaard met een maning tot zwijgzaamheid, wat ik geweldig spannend vond. De inhoudelijke uitleg ging aanvankelijk niet erg diep; misschien kreeg mijn twee jaar oudere broer wel een aan zijn leeftijd aangepaste versie te horen. Wat mijn moeder mij vertelde, was dat de mensen die soms in kleine groepjes bij ons op bezoek kwamen, met mijn vader wilden praten over hoe het met Nederland na de bevrijding verder zou gaan. Dat was voor mij meer dan voldoende. Een kind begreep dat praten over na de bevrijding de Duitsers niet welgevallig was. Alleen al het feit dat ik die mensen mocht zien, gaf mij een trots en warm gevoel.

Na de bevrijding werd ik veel grondiger voorgelicht. De doorbraak, resulterend in de oprichting van de Partij van de Arbeid op 9 februari 1946, kwam voor mij daardoor niet als een verrassing. Ik was toen elf jaar oud en had goed begrepen waarom mijn ouders uit de Christelijk-Historische Unie waren getreden en socialisten waren geworden, maar leuk vond ik het niet. In onze buurt, Kralingen, was ons gezin plotseling een vreemde eend in de bijt. Op 17 mei 1946 zouden de eerste naoorlogse Kamerverkiezingen worden gehouden, en ons huis was tot in de verre omgeving het enige met een PVDA-plakkaat op het raam. Kralingen werd gedomineerd door de Partij van de Vrijheid van mr. D.U. Stikker, de partij die nog geen twee jaar later met de ex-vrijzinnig-democraten van mr. P.J. Oud zou samensmelten tot de VVD. Maar belijdende christenen waren in onze buurt ook bepaald niet in de meerderheid. Voor zover ze er te traceren vielen, hadden ze tot overmaat van ramp een affiche van de CHU opgehangen, hetgeen het isolement van ons gezin in Kra­lin­gen compleet maakte.

Hoewel men dus kan zeggen dat ik de combinatie van christendom en socialisme praktisch met de paplepel heb ingekregen, heb ik ook heel jong leren leven met de lusten en lasten van het behoren tot een minderheid. Mijn vertrouwen in het feit dat mijn ouders het bij het rechte eind hadden, werd dan ook nauwelijks op de proef gesteld toen de verkiezingen voor de PVDA uiterst teleurstellend verliepen en ik op school en op de padvinderij van pesterige vriendjes moest horen dat de doorbraak mislukt was. Ik vroeg thuis natuurlijk wel hoe dat kwam en kreeg van mijn moeder te horen dat het volk nu eenmaal dom was. Mijn vader vond dit antwoord uit democratisch oogpunt niet geheel bevredigend en legde mij uit dat de doorbraak gewoon meer tijd nodig had. Volgens hem hadden de ex-SDAP’ers, verschanst in de VARA en Het Vrije Volk, het proces vertraagd door hardnekkig vast te houden aan de oude symbolen die aan de marxistische traditie herinnerden en de overstap voor christenen extra moeilijk maakten.

Als mede-oprichter van de Partij van de Arbeid kon mijn vader er slecht tegen dat hij en de andere doorbraak-socialisten in de partij zo duidelijk als nieuwkomers werden beschouwd. Zo kon hij zich mateloos ergeren aan het feit dat hij op spreekbeurten in de partij vaak werd verwelkomd met een ‘Gij die tot ons gekomen zijt’.{1} Zijn strijd tegen alles wat hij als conservatief-SDAP beschouwde, was echter vooral van tactische aard: hij zag er een barrière voor de doorbraak in. Voor zichzelf had hij er veel minder moeite mee. Zo beschreef hij zichzelf altijd gewoon als ‘socialist’; ik heb hem nooit het wat pretentieuzere ‘sociaal-democraat’ horen gebruiken. En de socialistische strijdliederen waren bij ons thuis bepaald niet taboe. Ik was vermoedelijk een van de weinigen van mijn generatie – niet in Kralingen, maar in heel Nederland – die het Strijdlied van de Partij van de Arbeid op de piano konden spelen. Spelen was overigens makkelijker dan zingen, want het was een van de moeilijkst zingbare liederen die ooit gecomponeerd waren. Ik ben de woorden grotendeels vergeten, maar ze begonnen met: ‘Werkers van hoofd en hand’. Die volgorde had niets met respect voor intellectuelen te maken maar was nodig om er ‘Werkers van Nederland’ op te laten rijmen.

Waar de doorbraak overigens wel succes had, was in onze familie. Ik heb aan mijn vaders kant zo’n twintig neven en nichten, en aanvankelijk leken al die jonge mensen het hartgrondig met mijn ouders eens te zijn. Rond mijn grootmoeder – mijn vaders moeder; zij was al sinds 1914 weduwe – werden van tijd tot tijd familiereünies belegd, die na haar overlijden nog enige tijd werden voortgezet. In mijn herinnering waren dat complete doorbraak-manifestaties, hoewel er wel een paar oudere neven waren die er het zwijgen toe deden omdat zij minder met het socialisme op hadden. Ik vond dat interessant, al wist ik nauwelijks waar het om ging: ik had in ieder geval geleerd minderheidsstandpunten te res­pecteren. Hoe mijn grootmoeder zelf tegenover de doorbraak stond, is mij nooit helemaal duidelijk geworden (zij is in 1949 overleden). Kennelijk had zij een rotsvast vertrouwen in mijn vader, maar zij kon niet nalaten mij te vertellen dat het ‘Oranje boven’ in haar tijd werd aangevuld met de woorden ‘Weg met alle so-ci-a-len, leve de Willemien’.


1. Jan Wieten, Dagblad en Doorbraak. De Nederlander en de Nieuwe Nederlander (Kampen, Kok, 1986).
GO BACK