De Tweede Kamer tijdens de Oost-Timorcrisis van september 1999

Omdat zoveel lezers mij hebben gevraagd waarom ik sinds juli 2016 niets meer op mijn website heb geplaatst, lijkt dit het goede moment om te doen wat ik jaren geleden al in mijn Profiel heb aangekondigd: “Aangezien Verder met Nederland alleen nog tweedehands verkrijgbaar is, zullen, afhankelijk van de actualiteit, nu en dan delen daarvan op deze website verschijnen.”

De actualiteit waar ik mij op beroep is het feit dat Nederland vanaf 1 januari 2018 weer een jaar lang niet-permanent lid van de Veiligheidsraad zal zijn. Voor mensen die daarmee te maken zullen krijgen kan het nuttig zijn kennis te nemen van de uiteenlopende reacties van de Nederlandse VR-delegatie en de Tweede Kamer op het uitbreken van de Oost-Timorcrisis op 3 september 1999. Ik citeer hieronder dus uit mijn in 2001 verschenen Verder met Nederland, hoofdstuk 10: ‘Nederland in de Veiligheidsraad,’ pagina’s 92 t/m 94.

* * *

In werkelijkheid moet een voorzitterschap het voor zijn reputatie hebben van wat er in de betrokken maand in de wereld gebeurt en hoe het daarop reageert. Nederland had in dat opzicht het geluk dat op 3 september 1999 de Oost-Timorcrisis uitbrak. Op grond van een op 5 mei 1999 tussen Indonesië, Portugal en de Verenigde Naties gesloten akkoord was in Oost-Timor een referendum gehouden waarin de bevolking zich hetzij voor autonomie binnen Indo­nesië hetzij voor volledige onafhankelijkheid kon uitspreken. In de dagen voorafgaand aan de bekendmaking van de referendumuitslag had de Veiligheidsraad de Indonesische regering al enkele malen opgeroepen haar verplichtingen uit hoofde van het 5 mei-akkoord na te komen en het geweld van de pro-autonomie (dus pro-Indonesië)-milities te beteugelen. Vrijdagavond 3 september om 21.00 uur maakte Secretaris-Generaal Kofi Annan in de Veiligheidsraad bekend dat de bevolking van Oost-Timor zich met een overtuigende meerderheid voor onafhankelijkheid had uitgesproken. Nog dezelfde avond hoorden wij dat in Oost-Timor (het was daar twaalf uur later) het militiegeweld massaal was losgebarsten. In de vroege zondagochtend werd ik opgebeld door mijn Portugese collega, die verlangde dat ik de Veilig­heids­raad bijeenriep. Ik nam contact op met de zogenaamde Core Group, bestaande uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Nieuw-Zeeland en Japan, en hoorde dat deze het nog niet over enige actie eens had kunnen worden maar de volgende dag opnieuw zou samenkomen. Ik besloot daarom de Veiligheidsraad nog niet bijeen te roepen, zelfs niet in informele consultaties, omdat een bijeenkomst tijdens het lange weekend van Labor Day (6 september) alleen maar grote aandacht van de media zou trekken. Het laatste waar naar mijn mening in de omstandigheden behoefte aan bestond, was een spectaculaire Veiligheidsraads­zitting die wederom niets anders zou opleveren dan een vruchteloze oproep aan het adres van de Indonesische regering.

Ondertussen kreeg ik wel Nederlandse journalisten aan de lijn, aan wie ik probeerde uit te leggen dat het geen zin had ongecontroleerd activisme ten toon te spreiden. Het was duidelijk dat er een vredesoperatie moest komen, maar ook dat deze op een Veiligheidsraadsmandaat moest berusten (na Kosovo was het enthousiasme voor humanitaire interventie zonder VR-mandaat voor geruime tijd bekoeld) en dat zo’n mandaat zonder het groene licht van Indonesië er gewoon niet in zat. Het ging er dus om de Indonesische regering om te turnen, en de vraag die wij (Core Group, Secretaris- Generaal en VR-voorzitterschap) ons stelden, was hoe we dit voor elkaar konden krijgen.

Dit leg ik nu zo uit. Tegenover de journalisten ging ik wat omzichtiger te werk, want het leek mij niet erg nuttig dit scenario in extenso in de krant te laten afdrukken. Voor ons stond vast dat zonder instemming van Indonesië niets mogelijk was, maar er was niets op tegen op dit punt Jakarta zelf enigszins in het ongewisse te laten.

De Tweede Kamer reageerde verontwaardigd op mijn terughoudende opstelling. D66-woordvoerder Hoekema verlangde een ‘veel hoger ambitieniveau’, CDA-woordvoerder Hillen sprak van een ‘heel slecht signaal’ en PvdA-woordvoerder Koenders keerde zich vooral tegen mijn poging een onderscheid te maken tussen de mogelijk goede bedoelingen van de Indonesische regering en de duidelijk kwade trouw van andere elementen. Dit laatste vormde zo’n evident onderdeel van ons streven president Habibie een opening te bieden om zonder gezichtsverlies met internationale actie tegen de milities in te stemmen, dat het mij een beetje tegenviel dat Koenders dat niet begreep.