De vrije wil

Bijna vijf jaar geleden heb ik een boekje geschreven over de vrije wil. Het heette ook zo {1}. Het was misschien wat aanmatigend van mij om op die generieke titel beslag te leggen, maar mijn enige thema was nu eenmaal die eeuwenoude vraag: bestaat de vrije wil of is hij een illusie? In die context kwamen verschillende disciplines aan de orde, maar de neurowetenschappen, die de laatste jaren het debat over de vrije wil zo gedomineerd hebben, kwamen er in mijn boekje bekaaid af. Er werd wel ingegaan op de neurofysiologische experimenten van Kornhuber en Libet, die al in de vorige eeuw verrassende vertragingen in de actieve en de passieve werking van ons bewustzijn aan het licht hadden gebracht, maar het boekje staat niet lang stil bij ‘mensen die menen dat bepaalde proeven in de sfeer van de neurowetenschappen het niet-bestaan van de vrije wil hebben aangetoond.’ Het proefondervindelijk bewijs dat bij sommige van onze beslissingen de vrije wil geen rol speelt, heeft natuurlijk niets te maken met de hypothese dat de hele vrije wil niet bestaat. Die hypothese vormt de kern van het harde determinisme, waar het boekje over gaat:  alles ligt vast; wat gebeurt, had niet anders kunnen gebeuren; de vrije wil is een illusie.

Het harde determinisme is voor het eerst duidelijk gedefinieerd door de Franse mathematicus en astronoom Pierre-Simon Laplace. Deze heeft in 1814 geschreven dat wij ons de huidige staat van het heelal moeten voorstellen als het gevolg van zijn voorafgaande staat en de oorzaak van de staat die erop zal volgen. Een intellect dat op een gegeven moment alle krachten waarvan de natuur bezield is en de positie van elk der entiteiten die er deel van uitmaken zou kennen, en dat voorts immens genoeg was om al die gegevens aan analyse te onderwerpen, zou in één en dezelfde formule de bewegingen van de grootste hemellichamen en die van het lichtste atoom kunnen beschrijven. Niets zou voor dat intellect onzeker zijn: de toekomst zou zich evenals het verleden openen voor zijn ogen.{2}

Laplace heeft mij gepakt en niet meer losgelaten. Er kan niet wetenschappelijk worden aangetoond dat de vrije wil bestaat, maar ook niet dat hij niet bestaat; ik vond binnen die beperkingen de hypothese van Laplace wetenschappelijk plausibel maar tegelijk wegens zijn consequenties voor het leven ondraaglijk. De mens zonder vrije wil is een mens zonder verantwoordelijkheid, en zonder verantwoordelijkheid kan ik mij geen zinvol menselijk leven voorstellen. Ook bij anderen heeft de hypothese van Laplace blijkbaar deze huivering gewekt. In de negentiende eeuw werd zijn definitie, met haar hypothetische ‘intelligence’, soms aangeduid als de ‘Demon van Laplace,’ en ‘Laplaciaans determinisme’ werd de gangbare benaming voor het consequente, ‘harde,’ determinisme.

Ik kan niet ontkennen dat het harde of Laplaciaanse determinisme, ondanks zijn ook voor mij onaanvaardbare consequenties, mij altijd is blijven fascineren {3}. Voor mij was het wetenschappelijk gesproken niet alleen op het eerste gezicht plausibel, maar tenslotte zelfs overtuigend. Alles heeft een oorzaak. Als er dingen gebeuren die niet deel uitmaken van een ongebroken keten van oorzaak en gevolg, waar komen die onderbrekingen dan vandaan? Die moeten zelf ook een oorzaak hebben, en als dat zo is maken ze zelf deel uit van een keten van oorzaak en gevolg en blijft het determinisme onberoerd. Hebben ze geen oorzaak, dan vallen ze buiten de wetenschap. Daarover hieronder meer.

Het harde determinisme bestond al lang vóór Laplace: in de achttiende eeuw werd langs verschillende wegen al geprobeerd het determinisme en de vrije wil wetenschappelijk met elkaar te verzoenen (het ‘compatibilisme’). In mijn boekje ga ik in dit verband in op de gedachten van de Schotse filosoof David Hume, waaruit ik tenslotte concludeer dat het compatibilisme helemaal niet wetenschappelijk is: ‘Compatibilisten wringen zich in alle bochten om te bewijzen dat determinisme en vrije wil verenigbaar zijn, maar wat zij eigenlijk bewijzen is dat de vrije wil door de wetenschap in ieder geval niet kan worden gered.’

Toch hebben steeds denkers geprobeerd de twee stellingen: ‘alles heeft een oorzaak’ en ‘er  bestaat vrije wil,’ wetenschappelijk met elkaar te verzoenen. Het recept is dan steeds hetzelfde: het determinisme wordt eerst aanvaard, maar daarna wordt een oplossing uit de hoed getoverd die ook de vrije wil van een plaats in de wetenschap verzekert.

Een voorbeeld hiervan is de lichtvoetige manier waarop Stephen Hawking er in zijn boek The Grand Design, New answers to the ultimate questions of life {4}, in slaagt de keus tussen determinisme en vrije wil te ontwijken. Hawking begint zijn behandeling van dit thema met een korte parafrase van de definitie van Laplace, die hij ‘de basis van alle moderne wetenschap’ noemt. Het determinisme dat hierin beschreven wordt moet volgens hem ook van toepassing zijn op mensen, maar velen die wel accepteren dat het wetenschappelijk determinisme over alle fysische processen regeert, maken een uitzondering voor menselijk gedrag omdat ze geloven dat wij een vrije wil hebben.

Om daar een mouw aan te passen hanteert Hawking de volgende redenering. Ook al wordt het menselijk gedrag door de natuurwetten bepaald, het valt niet te ontkennen dat hun toepassing op mensen zo ingewikkeld zou zijn en de verdiscontering van zoveel variabelen zou verlangen dat in de praktijk geen enkele uitkomst zou kunnen worden voorspeld. ‘Daarvoor zou men op de hoogte moeten zijn van de begintoestand van elk van de duizend biljoen biljoen moleculen in het menselijk lichaam en ongeveer datzelfde aantal wiskundige vraagstukken moeten oplossen. Dat zou een paar miljard jaar in beslag nemen.’

Omdat het dus niet mogelijk is de onderliggende natuurkundige wetten te gebruiken om menselijk gedrag te voorspellen, zo vervolgt de redenering, aanvaarden we een zogenaamde ‘effective theory.’ Na dit begrip te hebben gedefinieerd als ‘een kader, geschapen om vorm te geven aan bepaalde waargenomen verschijnselen zonder alle eraan ten grondslag liggende processen in detail te beschrijven,’ vat Hawking de in dit geval door de wetenschap gebruikte effectieve theorie kortweg samen in de stelling ‘that people have free will.’

Isaac Newton had het in de zeventiende eeuw ook al klaargespeeld voor het probleem van de onverenigbaarheid van determinisme en vrije wil een ‘wetenschappelijke’ oplossing te bedenken. In Seeing Further, de door Bill Bryson geredigeerde Story of Science, Discovery, and the Genius of the Royal Society{5}, weet Neal Stephenson te melden dat Newton zich van dit probleem bewust was maar er niet over dacht een filosofie te verkondigen die mensen van hun vrije wil zou beroven. Hij heeft dat weten te vermijden door bovennatuurlijke interventie te postuleren, namelijk door zijn toevlucht te nemen tot ‘entiteiten en krachten die  buiten het door zijn wetenschap beschreven systeem lagen.’

Soms zijn denkers te integer om zich van dergelijke kunstgrepen te bedienen. Zij moeten dan wel knarsetandend toegeven dat als Laplace gelijk heeft van vrije wil geen sprake kan zijn. Dan kunnen zij anderhalve eeuw later nog in machteloze woede ontsteken over Laplace, die dit onheil heeft teweeggebracht. In 1963 is op basis van een serie op BBC Third Programme over de vrije wil gevoerde gesprekken een boekje verschenen {6} waarin de moraalfilosoof Bernard A.O. Williams aan zijn verontwaardiging lucht geeft door Laplace met zijn formulering af te doen als product van een primitieve en gelukkig lang vervlogen tijd, waar wij in de twintigste eeuw geen boodschap meer aan hebben. Williams is in 2003 overleden, zodat hij niet meer heeft kunnen beleven dat zelfs in de eenentwintigste eeuw de definitie van Laplace nog door een toonaangevend theoretisch fysicus de basis van alle moderne wetenschap werd genoemd.

Maar we hebben gezien wat voor prijs Hawking daarvoor heeft moeten betalen. De definitie van Laplace kan alleen dan de basis van alle moderne wetenschap zijn als we daarnaast ook het blijkbaar onuitroeibare geloof in de vrije wil een wetenschappelijke status verlenen, en Hawking heeft om dat te rechtvaardigen een ludieke redenering uitgedacht waarin de geheel verschillende vragen of de toekomst (a) vastligt en (b) voorspelbaar is, slinks door elkaar worden gehaald.

Zo komen we er niet uit. Met populairwetenschappelijke frivoliteit wordt het probleem niet opgelost. Maar er is misschien toch een uitweg. Als wij, om de enkele reden dat alles een oorzaak heeft en zulke oorzaken niet zelf oorzaakloos kunnen zijn, noodgedwongen het harde determinisme als wetenschappelijke realiteit accepteren, kunnen we nog altijd geloven – en dat is dan dus wel ‘geloven tegen beter weten in’ – dat de vrije wil bestaat.

Misschien is dit ook niet meer dan een kunstgreep. Ik heb altijd bezwaar gehad tegen het gemak waarmee sommige moderne theologen uitgaan van het naast elkaar bestaan van twee werkelijkheden (één waarin Christus waarlijk is opgestaan en één waarin dat natuurlijk niet mogelijk is), maar misschien valt daar in een volwaardig menselijk leven gewoon niet aan te ontkomen. Het geloof in het bestaan van twee werkelijkheden stuit mij in ieder geval minder tegen de borst dan de spitsvondige argumenten waarmee neocompatibilisten proberen aan te tonen dat in de wetenschap voor zowel determinisme als vrije wil een plaats kan worden gevonden.

De vraag dringt zich op waarom we dit verschil zo belangrijk zouden moeten vinden: is het niet lood om oud ijzer of de incompatibiliteit door onwetenschappelijk geloof in de vrije wil of door een soepel omgaan met de wetenschap wordt opgeheven? Beide zijn een soort noodsprong, en waarom is de ene beter dan de andere?

Daar heb ik eigenlijk geen antwoord op, anders dan dat het natuurlijk prima is als het soepel omgaan met de wetenschap – van Hume tot en met Hawking – mensen ervan kan overtuigen dat de vrije wil bestaat. Bij mij werkt dat niet, omdat ik het compatibilisme daarvoor altijd te glad heb gevonden. Wel kom ik zonder moeite tot  de conclusie dat de wetenschap ons met een zo onleefbare werkelijkheid opscheept dat we geen andere keus hebben dan in het bestaan van de vrije wil te geloven. Door de wetenschap om die reden voor één keer even terzijde te leggen, behandelen we haar met meer respect dan door te proberen haar met slimme redeneringen naar onze hand te zetten.

© Peter van Walsum, 20 april 2012

________________________________________

Voetnoten

1. Peter van Walsum, De vrije wil (Amsterdam, Balans, 2007).
GO BACK

2. Pierre-Simon Laplace, Essai philosophique sur les probabilités (Paris, 1814) Oorspronkelijke tekst:

Nous devons envisager l’état présent de l’Univers comme l’effet de son état antérieur et la cause de ce qui va suivre. Une intelligence qui, pour un instant donné, connaîtrait toutes les forces dont la nature est animée et la situation respective des êtres qui la composent, si d’ailleurs elle était assez vaste pour soumettre ces données à l’analyse, embrasserait dans la même formule le mouvement des plus grands corps de l’Univers et ceux du plus léger atome : rien ne serait incertain pour elle, l’avenir comme le passé serait présent à ses yeux. 
GO BACK

3. Een verschil tussen mijn boekje en dit stuk is dat ik in het laatste hoofdstuk van het boekje concludeerde dat ‘bijna iedereen’ Laplaciaans determinisme als ‘een achterhaalde wetenschappelijke theorie’ beschouwde, terwijl ik op deze website beschrijf hoe ik sindsdien tot de conclusie ben gekomen dat het Laplaciaans determinisme nog springlevend is.
GO BACK

4. Stephen Hawking & Leonard Mlodinow, The Grand Design (London, Bantam Press, 2010)
GO BACK

5. Neal Stephenson, edited by Bill Bryson, Seeing Further (London, HarperPress, 2010)
GO BACK

6. Edited by D.F. Pears, Freedom and the Will (London, Macmillan & Co. Ltd. 1963)

Ontboezeming van B.A.O. Williams in dat boek (p. 9): “In the eighteenth century the astronomer Laplace could perhaps talk glibly in these terms; in the twentieth we certainly cannot.”
GO BACK