Er is niets mis met euroscepsis

Na deze inleiding volgen hieronder:

  • een kort artikel van mij in de Volkskrant van 21 november 2013 over het door het VVD-Kamerlid Mark Verheijen aangezwengelde debat over de vraag wie schadelijker zijn voor Europa, eurofielen of eurosceptici;
  • een uittreksel uit mijn in januari 2001 verschenen mini-autobiografie, Verder met Nederland, waarin ik beschrijf hoe in 1991, midden in het Nederlandse EG-voorzitterschap, Buitenlandse Zaken verscheurd werd door tweedracht over de vraag of voor de verdere Europese eenwording de communautaire dan wel de intergouvernementele weg moest worden bewandeld.
 

Naar aanleding van het artikel in de Volkskrant ben ik er door lezers op gewezen dat de conflicten van 1991 en 2013 niet met elkaar kunnen worden vergeleken. In 1991 was op BZ de wenselijkheid van verdere uitbreiding of verdieping van de Europese samenwerking onomstreden maar was niet iedereen ervan overtuigd dat deze op alle beleidsterreinen op communautaire leest moest of kon worden geschoeid. Sommigen vonden dit ook zelf voor Nederland onwenselijk, maar een groter aantal was van mening dat het in de Europese Gemeenschap niet haalbaar zou blijken. Samen werden deze mensen al gauw als eurosceptici betiteld. De eurosceptici waar Verheijen het over heeft zijn daarentegen mensen die zeker weten dat ze tegen Europa zijn, en dat heeft met scepsis niets te maken.

Ik ben het daarmee eens, maar als de twee conflicten onvergelijkbaar lijken komt dat vooral doordat het woord euroscepticus sinds 1991 uiteenlopende betekenissen heeft gekregen. Want wat de conflicten gemeen hebben is dat in beide gevallen het niet hebben van de juiste instelling de tegenstander het meest wordt aangewreven. Zo gaat het nu eenmaal in ons ooit zo gelovige land. Wat de voorstanders van de communautaire weg in 1991 van hun tegenstanders vonden, kwam toen vrijwel niet in de publiciteit maar was niet minder leerstellig en verketterend dan de reactie van Pechtold op Verheijen.

Na het fiasco van Zwarte Maandag zou men verwacht hebben dat de ‘communautairen’ beseften dat zij waren uitgespeeld. De eurosceptici hadden gewonnen, en in het Verdrag van Maastricht zouden communautair en intergouvernementeel naast elkaar bestaan. Op dat moment had de terminologie eigenlijk op de helling gemoeten, want wat waren toen eurosceptici nog anders dan mensen die steeds precies die mengvorm hadden bepleit? Maar het is nog niet te laat voor een herdefiniëring van eurosceptici als: mensen die met Europa verder willen zonder dogmatisch aan de communautaire of de intergouvernementele weg gebonden te zijn. Volgens die definitie vormen de eurosceptici in ons land een grote meerderheid.

In die meerderheid moet het mogelijk zijn voldoende mensen te vinden die zich willen inspannen om hun anti-Europa landgenoten ervan te overtuigen dat Nederland buiten Europa geen toekomst heeft. Daarnaast kunnen zij natuurlijk ook als eurosceptici proberen te voorkomen dat in Brussel al te onrealistische plannen worden ontwikkeld. Beide activiteiten zouden uitgesproken pro-Europa zijn.

Het laatste stuk, het uittreksel van het Europa-hoofdstuk in mijn boekje van 2001, verlangt weinig toelichting, behalve dat ik vooral aandacht zou willen vragen voor het eindverslag aan de Tweede Kamer van minister Van den Broek en staatssecretaris Dankert.{1} Daarin wordt het drama van Zwarte Maandag bijna als een onbetekenend ‘accident de parcours’ afgedaan: ‘geen eindfase, maar een nieuwe stap in een voortschrijdend integratieproces.’ Dit wijkt wel erg sterk af van de wijze waarop Van den Broek op Zwarte Maandag tegenover de Nederlandse pers het verloop van de Ministersvergadering had samengevat: ‘We zijn afgegaan als een gieter.’

 

Wie zijn het gevaarlijkst voor Europa?

gepubliceerd in de Volkskrant van 21 november 2013

Zaterdag 9 november noemde het VVD-Kamerlid Mark Verheijen op de radio eurofielen gevaarlijker voor Europa dan eurosceptici. De volgende dag noemde D66-leider Alexander Pechtold de uitspraak van Verheijen ‘schandalig’ en bood Verheijen zijn excuses aan voor zijn verkeerde woordkeuze, waardoor de suggestie kon zijn gewekt dat hij Guy Verhofstadt ‘erger of gevaarlijker’ vond dan Marine Le Pen.

Ondertussen hebben ook ex-eurocommissaris Frits Bolkestein en zittend eurocommissaris Neelie Kroes (beiden VVD) zich over de uitspraak van Verheijen uitgelaten. Bolkestein vond dat er veel waars in zat, maar Kroes noemde het een populistische oneliner.

Het slagveld overziende, vind ik dat Verheijen zich onhandig heeft uitgedrukt, zowel in zijn uitspraak van 9 november als in zijn verontschuldigingen de dag erna. Maar dat gezegd zijnde, voel ik mij toch meer aangesproken door zijn afkeer van het onstuitbare streven naar ‘meer Europa’ op weg naar een federale Europese staat dan door de wat potsierlijke verontwaardiging van Pechtold, Kroes en de JOVD.

In de eerste plaats heb ik een instinctieve voorkeur voor sceptici boven ‘-fielen’ (mensen die zo sterk ergens voor zijn dat ze erin ‘geloven’). Ik verkies wetenschappelijk onderzoek, twijfel en gezond verstand.

Daarnaast vervullen de reacties van Pechtold, Kroes en anderen mij van een gevoel van déjà vu. In het midden van 1991 ging het voorzitterschap van de Europese Gemeenschap over van Luxemburg op Nederland. De termen ‘eurofiel’ en ‘eurosceptisch’ waren toen nog niet in zwang; in plaats daarvan was men voorstander van de ‘communautaire’ of van de ‘intergouvernementele’ weg. De Luxemburgers hadden tijdens hun voorzitterschap een concept voor het Verdrag van Maastricht geschreven dat beide wegen bewandelde, ervan uitgaande dat het ene onderwerp zich meer voor de ene weg en het andere zich meer voor de andere leende. Omdat in die tijd de communautairen in Nederland de dienst uitmaakten, besloot onze regering het Luxemburgse ontwerpverdrag, dat praktisch klaar was, in zijn geheel door een nieuw Nederlands ontwerpverdrag op communautaire leest te vervangen. Wie erop wees dat het zeer de vraag was of het nieuwe ontwerp voor de meerderheid van de EG-lidstaten aanvaardbaar zou blijken, kon op een verontwaardigde reactie rekenen.

Het Nederlandse ontwerpverdrag werd op 30 september 1991 (Zwarte Maandag) door de EG-partners van de tafel geveegd. Er moest op basis van de Luxemburgse tekst hals over kop een nieuw verdrag worden geschreven. Wij, eurosceptici in de dop, hoopten dat hiermee het gezond verstand was weergekeerd en ‘steeds meer Europa’ door Den Haag nooit meer als een geloofsartikel zou worden gehanteerd. Maar helaas hebben de successen van mensen als Wilders en Le Pen de blinde eurofilie alleen maar nieuw leven ingeblazen.

Peter van Walsum was in 1991 directeur-generaal politieke zaken op het ministerie van Buitenlandse Zaken.

 

Verder met Nederland, uittreksel uit hoofdstuk 7, Europa

Vanaf het begin van het Europese integratieproces streefde Nederland naar een communautair Europa, dat wil zeggen een op supranationale leest geschoeide Europese Gemeenschap die zich op den duur tot een Europese federale staat zou ontwikkelen. Wij gingen ervan uit dat in een dergelijke structuur, met ruime bevoegdheden voor de Europese Commissie, het Europese Parlement en het Europese Hof van Justitie, de belangen van de kleinere lidstaten beter gewaarborgd waren dan in een intergouvernementele structuur, die – als samenwerkingsvorm tussen regeringen – in laatste instantie eigenlijk helemaal geen structuur was.

Binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken heerste op dit punt een vrijwel volmaakte consensus toen in 1991, uit hoofde van de alfabetische volgorde onder de lidstaten, Nederland geroepen werd zich met ingang van 1 juli als EG-voorzitter met de voorbereiding van het Verdrag van Maastricht te belasten. Was men het er dus unaniem over eens dat een federaal Europa voor Nederland het beste was, niet iedereen op het ministerie was er even zeker van dat het mogelijk zou blijken tijdens ons voorzitterschap de bekende bezwaren van Engeland en Frankrijk tegen een dergelijk concept te overwinnen. Wat onze positie nog moeilijker maakte, was dat Luxemburg – dat wil zeggen het voorzitterschap dat aan het onze voorafging – al aan een ontwerptekst was begonnen die van een andere opzet uitging en de toekomstige Europese Unie in ‘pijlers’ verdeelde. Een daarvan, de bestaande Europese Gemeenschap, bleef in die opzet communautair gestructureerd, maar de twee andere pijlers – het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken – zouden in beginsel intergouvernementeel van opzet zijn. Het was duidelijk dat een koerswijziging in dit late stadium – weg van de pijlers en terug naar één gemeenschap – de ideologische tegenstellingen zou accentueren, en aldus een mate van polarisatie kon oproepen die de hele intergouvernementele conferentie en de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht op losse schroeven zou kunnen zetten.

Op het directoraat-generaal Europese samenwerking (DGES) heerste echter een stemming van nu of nooit: men was niet bereid deze historische kans op een reuzensprong op integratiegebied te laten passeren. Ik wil hier vooral niet de indruk wekken dat ik destijds daartegen geopponeerd heb: daarvoor voelde ik mij te weinig vertrouwd met de materie. Maar ik heb wel uiting gegeven aan mijn verbazing over de ideologische gedrevenheid waarmee men op DGES tegen iedere vorm van intergouvernementele besmetting van het integratieproces ten strijde trok. Ik had zelfs de euvele moed de uitvoerbaarheid van een communautair buitenlands en veiligheidsbeleid ook van mijn kant in twijfel te trekken, hetgeen mij de reputatie bezorgde van iemand die niet uit het juiste communautaire hout gesneden was. Mijn tegenwerpingen verloren daardoor hun relevantie, de druk vanuit de Tweede Kamer om ambitieus te werk te gaan en hoog te mikken was tastbaar, en er werd unaniem besloten niet op basis van het Luxemburgse pijlerconcept verder te werken, maar dit te vervangen door een uniform ontwerp waarbij de bestaande communautaire structuur zich ook tot de nieuwe beleidsterreinen zou uitstrekken.

Een dergelijk riskant besluit zou waarschijnlijk nooit genomen zijn als er geen signalen van Duitse steun voor deze koerswijziging waren opgevangen. Duitsland had zijn hereniging nog geen jaar achter de rug en had nog niet geleerd zich naar Brits of Frans voorbeeld als een typische grote lidstaat te gedragen. Het Duitse beleid legde nog altijd de behoedzame bescheidenheid aan den dag die het optreden van de Bondsrepubliek sinds haar ontstaan steeds had gekenmerkt. Duitsland zag zichzelf graag als de pleitbezorger van de kleinere lidstaten en leek oprecht in onze communautaire benadering geïnteresseerd. Op DGES ging men ervan uit dat het met de steun van de grootste lidstaat mogelijk moest zijn de bezwaren van de andere grote lidstaten als Engeland en Frankrijk te overwinnen.

Dit bleek een ernstige misrekening. De dag waarop ons ontwerp voor het eerst aan de EG-ministers van Buitenlandse Zaken werd voorgelegd – 30 september 1991 – staat in Den Haag nog steeds als ‘Zwarte Maandag’ te boek. Alle partners met uitzondering van België wezen onze benadering van de hand en verzochten ons dringend tot het Luxemburgse concept van afzonderlijke pijlers terug te keren. Van de Duitse ambtelijke steun was op ministerieel niveau niets terug te vinden. Minister Genscher nam als een der laatsten het woord en constateerde alleen maar dat het Nederlandse ontwerp kennelijk onvoldoende steun genoot. Zijn streven waar mogelijk met Frankrijk één lijn te trekken bleek voor hem zwaarder te wegen dan het advies van zijn ambtenaren.

Het optreden van Genscher kan voor een deel als excuus voor de Nederlandse misrekening worden aangevoerd, maar het leeuwendeel van de verklaring moet toch in onze verbijsterende hoeveelheid wishful thinking worden gezocht. Ik heb zelf pas lang na ‘Zwarte Maandag’ begrepen wat voor gigantisch complex aan verwachtingen sommigen op BZ aan de communautaire benadering hadden vastgeknoopt. Niet alleen de positie van de kleinere lidstaten, ook de inbedding van Duitsland in Europa zou langs die weg gewaarborgd kunnen worden.

Veel Nederlanders vonden het een geruststellende gedachte dat het einde van de Koude Oorlog niet alleen tot Duitse hereniging maar ook tot een nieuwe impuls op het gebied van Europese integratie aanleiding had gegeven. Door de jarenlange tweedeling had Duitsland niet kunnen terugvallen in de normaliteit van een nationale staat en was het in plaats daarvan gezegend met een soort post-nationale conditie. Met een beetje geluk zou het mogelijk moeten zijn dit post-nationale Duitsland door een federaal Europa te laten absorberen voordat het land weer voor de verleidingen van de normaliteit – of erger nog: het nationalisme – zou bezwijken.

Hoewel zelfs op het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken wel aanhangers van deze theorie werden aangetroffen, heeft zij het nooit tot Nederlands regeringsbeleid gebracht. De politieke directies waarvoor ik op Buitenlandse Zaken verantwoordelijk was, hebben dit scenario nooit serieus genomen. Wij hadden geen vertrouwen in het mengsel van grote haast bij het Europese integratieproces en doelbewuste vertraging van Duitslands normalisering dat deze theorie zou verlangen. Het leek ons niet realistisch te verwachten dat het verenigde Duitsland jaren achtereen als post-nationale, pre-federale staat in de Europese wachtkamer zou willen doorbrengen, in het volste besef dat Frankrijk en Engeland nog lichtjaren van een dergelijke post-nationale conditie verwijderd waren. Hoe veel voldoening het ons ook mocht schenken dat Duitsland zijn nationalisme had afgezworen, een collectief streven om die toestand van buitenaf te bestendigen leek ons juist een probaat middel om het Duitse nationalisme nieuw leven in te blazen. Waar we al helemaal niet aan moesten denken, was dat uitgerekend Nederland zich geroepen zou voelen de Duitsers aan te sporen met een langdurige periode van abnormaliteit genoegen te nemen, omdat dit de indruk zou wekken dat zelfs een halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog de Nederlanders het nog steeds niet konden verdragen naast een normaal Duitsland te leven.

Al deze overwegingen verloren hun betekenis op ‘Zwarte Maandag’. Het perspectief van een federaal Europa was verdwenen en de normalisering van Duitsland kon niet langer worden tegengehouden. Nadat aldus het Verdrag van Maastricht er heel anders was komen uit te zien dan Nederland gehoopt had, hebben minister Van den Broek en staatssecretaris Dankert in hun eindverslag aan de Tweede Kamer het resultaat toch als een stap ‘ontegenzeggelijk in de juiste richting’ betiteld. Hoewel deze stap minder ver reikte dan was gehoopt, was er toch duidelijk sprake van ‘parallellie tussen doelstellingen en behaalde resultaten’. De Kamer werd er daarbij subtiel aan herinnerd dat deze ambitieuze doelstellingen ‘in goed overleg met de Kamer [waren] geformuleerd en uitgedragen’. Dit gold natuurlijk bij uitstek voor het ‘wezenlijke risico’ dat de regering had genomen door in september 1991 te besluiten een meer communautair georiënteerde ontwerptekst in te dienen. Deze opzet was helaas niet geslaagd, want een grote meerderheid van lidstaten had er uiteindelijk de voorkeur aan gegeven de samenwerking op de nieuwe terreinen van buitenlands en veiligheidsbeleid, justitie en binnenlandse zaken ‘vooralsnog’ op expliciet intergouvernementele leest te schoeien. ‘Doelbewust weerspiegelt het verdrag evenwel geen eindfase, maar vormt het een nieuwe stap in een voortschrijdend integratieproces.’{2}

Zeker deze laatste zin moest wel de indruk wekken dat Maastricht niet meer dan een kleine tegenslag – in dit stadium nog net een brug te ver – was geweest, en dat het einddoel van een communautair Europa nog recht overeind stond. Elders in het verslag stond evenwel dat ‘de verwikkelingen op 30 september jl. rond het eerste Nederlandse voorzittersvoorstel hebben aangetoond dat een ambitieuzer resultaat onder de omstandigheden niet langer te verwezenlijken viel’. De woorden ‘niet langer’ springen in het oog, omdat men hier logischerwijze ‘nog niet’ zou hebben verwacht. Hier staat met andere woorden niet dat het Nederlandse ambitieniveau zijn tijd vooruit is, maar dat het door de tijd is ingehaald. Met deze twee woorden treedt onbedoeld de waarheid aan het licht. Wij zijn niet meer op weg naar het soort Europa waar in ons land de afgelopen decennia van werd gedroomd.


  1. Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 052, nr. 13.
    GO BACK
  2. Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 052, nr. 13.
    GO BACK