Er rust geen heil op ongewapende militairen

Het besluit van het kabinet 40 ongewapende en zelfs geen uniform dragende marechaussees naar de rampplek in Oost-Oekraïne te sturen om bij het onderzoek te helpen, is vrijdag 25 juli in de Kamer door premier Rutte verdedigd met het argument dat het terughalen van de slachtoffers Nederlands ‘absolute topprioriteit’ was en dat de vervulling van die taak door de aanwezigheid van bewapende Nederlandse militairen in gevaar zou kunnen komen. Het was volgens hem niet mogelijk in Oost-Oekraïne ‘gewapend werk’ uit te voeren. Dit is nakaarten, want de marechaussees zijn nog diezelfde avond naar hun bestemming vertrokken.

Men kan zich afvragen of dit Nederlandse voorbeeld veel navolging zal vinden. Het probleem is dat Nederland op het punt van uitzending van militair personeel of materieel dat niet agressief of intimiderend mag overkomen, geen erg gelukkige hand heeft. Toen rond 1993 moest worden beslist of de voor Dutchbat-Srebrenica bestemde YPR pantserrupsvoertuigen zouden worden uitgerust met de .50 mitrailleur of het 25 mm kanon, zou minister van Defensie Relus ter Beek voor de mitrailleur hebben gekozen omdat hij vreesde dat een zwaardere bewapening agressie zou uitlokken. De exacte beweegreden is nergens precies vastgelegd, maar deze is in kringen van vredeshandhaving de meest bekende. Wat men zich in die kringen ook herinnert, is dat in april 1994 een in de ‘safe area’ van Tuzla gelegerde Deense eenheid, die in een Servische hinderlaag was gelokt, besloot terug te schieten en de Serviërs onmiddellijk wist te verjagen. De Denen waren zwaar bewapend en beschikten onder andere over 7 Leopard tanks. Het Deense parlement stelde in die tijd zware bewapening als voorwaarde voor zijn instemming met Deense deelname aan vredesmissies.