Het Britse in-out EU referendum

Wat hier volgt is mijn door de drukte van het seizoen vertraagde reactie op het opmerkelijke opiniestuk van dr. Adriaan Schout, hoofd EU-studies van het Instituut Clingendael, dat op 8 december 2015 onder de kop “Laat de Britten dan uit de EU stappen als ze zo graag willen” in NRC Handelsblad is gepubliceerd.

Het artikel ging over het streven van premier Cameron het Britse lidmaatschap van de Europese Unie te hervormen en daarmee de kans te vergroten dat in het referendum waarbij het Britse volk zal worden gevraagd zich uit te spreken over de vraag of het Verenigd Koninkrijk lid van de Europese Unie moet blijven of de EU moet verlaten, de meerderheid voor het eerste zal kiezen. In de desbetreffende kieswet is bepaald dat het referendum vóór het eind van 2017 zal plaatsvinden, maar er wordt vrij algemeen aangenomen dat het dit jaar al zal worden gehouden.

De hervormingen die Cameron nastreeft zijn door hemzelf ingedeeld in vier ‘main aims,’ in de wandeling ook wel als ‘pillars’ of ‘buckets’ aangeduid. De BBC noemt ze bij voorkeur de vier ‘key points,’ maar tegenstanders van de exercitie zullen de vier bundels altijd ‘Cameron’s demands’ noemen. In zijn opiniestuk spreekt Schout ook van vier ‘sets van eisen.’ Afgezien van schampere opmerkingen over de hele operatie (‘Een deel van de Britse wensen heeft niets om het lijf. De rest varieert van onduidelijk tot schadelijk voor de eurozone’ … ‘Hun lidmaatschap staat kennelijk zó op losse schroeven dat ze net zo goed nu kunnen opstappen’), gaat vrijwel zijn hele artikel op in een slordige en soms gewoon onjuiste samenvatting van Camerons eisenpakket. Zo schrijft hij dat Cameron de verwijzing naar de ‘ever closer union’ uit het Verdrag wil schrappen. Dat wil Cameron uitdrukkelijk niet, omdat hij beseft dat dit geen haalbare kaart is. De woorden stonden in 1957 al in de preambule van het Verdrag van Rome en zijn sindsdien in verschillende verdragen herhaald. Zij kunnen natuurlijk niet worden geschrapt, maar wat Cameron nastreeft is de formele toestemming van de EU partners ‘for the UK toopt out from the EU’s founding ambition to forge an “ever closer union” of the peoples of Europe.’

De onnauwkeurigheden in het stuk van Schout zijn des te opmerkelijker omdat dit op 8 december 2015 in de NRC is verschenen, terwijl aan alle speculaties over de eisen waarmee Cameron zijn hervormingscampagne zou lanceren al een eind was gekomen door de onverwijlde vrijgave van zijn brief van 10 november 2015 aan de Poolse premier Donald Tusk in diens hoedanigheid van voorzitter van de Europese Raad.

Ik heb geen reacties op het opiniestuk van Adriaan Schout gelezen, maar mijn eigen reactie was er tot vandaag ook nog niet. Ik ben het grondig oneens met dr. Schout en betreur het dat hij als Senior Research Fellow and Coordinator Europe van het Instituut Clingendael zo’n populistisch anti-Brits opiniestuk in NRC Handelsblad heeft geschreven.

Volgens mij rust op onze regering nu de taak om alles te doen of laten wat in haar vermogen is om premier Cameron in staat te stellen zo vroeg mogelijk in dit nieuwe jaar bekend te maken dat hij in de EU voldoende begrip en steun voor zijn doelstellingen heeft gevonden om het Britse volk te adviseren zich in het referendum voor een blijvend EU-lidmaatschap uit te spreken.

Dat wijkt nogal af van de adviezen van de heer Schout in de NRC (‘sterk staaltje Britse arrogantie’ … ‘wij moeten geen concessies doen’… ‘zoals zo vaak met dreigementen: niet op ingaan’). Ik moet bekennen dat ik nogal verbaasd was die weinig academische en bijna balorige toon in een stuk van Clingendael, onze “leading Dutch think tank and diplomatic academy on international affairs,” aan te treffen. Het is waarachtig niet voor het eerst dat we met de bijzondere Britse rol in Europa te maken hebben. Toen president de Gaulle in 1967 voor de tweede maal de Britse toetreding tot de EEG blokkeerde, heeft Nederland zich op het standpunt gesteld dat het, zonder alle Britse aarzelingen omtrent het einddoel van het ‘Europese project’ (politieke unie of gemeenschappelijke markt?) te onderschrijven, het VK tot elke prijs in de EEG wilde hebben in het belang van Nederlands eigen positie in Europa.

Er is sindsdien veel veranderd, maar het is vandaag nòg meer dan een halve eeuw geleden van belang dat wij beseffen dat Nederland niet gebaat is met een Europese Unie waarin één van onze historische grote buurlanden – Duitsland, Engeland en Frankrijk – ontbreekt. Sinds zijn onafhankelijkheid heeft ons land met Engeland vier tot zes zeeoorlogen gevoerd, vijf jaren van Duitse bezetting ondergaan, en is het door Frankrijk zelfs enkele jaren geannexeerd geweest. Dat schept, hoe dan ook, banden. Als Nederland niet kan helpen voorkomen dat één van die drie landen in 2017 besluit de EU te verlaten, kan het moeilijk verwachten dat het met de 13 pas in deze eeuw toegetreden lidstaten wel een goed functionerende Europese Unie tot stand zal kunnen brengen.