Noot 3 (bij artikel “Nederland is anders”)

Kanttekening Commissielid Van Walsum

Het Commissielid Van Walsum onderschrijft de conclusie van de Commissie dat het volkenrechtelijke standpunt van de regering – te weten dat de schending door Irak van het samenstel (corpus) van de sinds 1990 door de Veiligheidsraad aangenomen resoluties militaire actie tegen Irak juridisch rechtvaardigde – niet goed te verdedigen viel. Aan de toch al niet algemeen geaccepteerde geldigheid van deze ‘corpustheorie’ was op 8 november 2002 door de aanvaarding van resolutie 1441 een eind gekomen. In weerwil van enkele dubbelzinnigheden in de tekst stelde deze resolutie per saldo buiten twijfel dat voor de volkenrechtelijke legitimering van een inval in Irak een ‘tweede resolutie’ onontbeerlijk was. Van Walsum verbindt hieraan echter niet de conclusie dat de regering verkeerd heeft gehandeld door voor de Amerikaans-Britse inval Nederlands politieke steun uit te spreken. Volgens hem dient een verantwoordelijke regering zich niet alleen door de regels van het volkenrecht maar ook door de eisen van de internationale politiek te laten leiden. Als de twee met elkaar in botsing komen ontstaat een dilemma, maar geen regering zal accepteren dat haar vitale politieke doelstellingen onder alle omstandigheden voor het volkenrecht zullen moeten wijken.

Een dwingende eis van de internationale politiek en daardoor ook voor ons land een vitale politieke doelstelling is de preventie van nucleaire proliferatie. Het was in 2002 niet duidelijk hoe zonder de bereidheid van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zo nodig zonder mandaat van de Veiligheidsraad in Irak militair in te grijpen, nog kon worden voorkomen dat na de onafwendbare instorting van het sanctieregime Saddam Hoessein de enorme Iraakse olieopbrengsten zou gebruiken om zijn sluimerende kernwapenprogramma te reactiveren. Als dat was gebeurd, zouden vermoedelijk nog voordat Irak zelf over een operationeel kernwapen beschikte verschillende andere landen in de regio besloten hebben Iraks voorbeeld te volgen. Nederland had er dus belang bij de Amerikaans-Britse operatie politiek te steunen. Het had er beslist geen belang bij samen met Frankrijk en Duitsland de volkenrechtelijke onrechtmatigheid van die operatie aan de kaak te stellen.

Het rapport concludeert dat in het gevaar van een herleving op termijn van de kernwapencapaciteit van Irak geen argument kan worden gevonden voor individuele lidstaten om het recht in eigen hand te nemen. Van Walsum onderschrijft deze stelling maar vraagt wel aandacht voor het feit dat hier alleen van recht en niet van politiek sprake is. Een regering die tot de conclusie is gekomen dat alleen de verdrijving van Saddam Hoessein een rampzalige kettingreactie van nucleaire proliferatie in het Midden-Oosten kan voorkomen, zou haar plicht verzaken als zij zich tegen een niet door de Veiligheidsraad gemandateerde interventie verzette om de enkele reden dat een interventie met dat oogmerk naar geldend volkenrecht vooralsnog niet is toegestaan.

Het is opmerkelijk dat de regering het gevaar dat Irak op enig moment weer de vrije beschikking over zijn olie-inkomsten krijgt en die dan aanwendt om zijn MVW-programma te reactiveren, wel noemt in haar Kamerbrief van 18 maart 2003 waar zij uitlegt dat er geen alternatief voor militair optreden denkbaar is {1}, maar verder voornamelijk uitspraken doet die de indruk wekken dat in haar visie de Iraakse dreiging in de eerste plaats van onmiddellijk inzetbare biologische en chemische wapens uitgaat {2}. Dat was geen gelukkige keuze omdat die wapens er tenslotte niet bleken te zijn, maar nog ongelukkiger is de hardnekkigheid waarmee de regering haar volkenrechtelijke standpunt is blijven verdedigen dat Iraks schending van het ‘corpus’ van sinds 1990 door de Veiligheidsraad aangenomen resoluties de inval ook na de aanvaarding van resolutie 1441 legitimeerde.

Van Walsum vraagt zich af of de regering er niet beter aan zou hebben gedaan de Kamer en het Nederlandse volk uit te leggen dat er voor de inval volkenrechtelijk geen overtuigende rechtsgrond was, maar dat een militaire ingreep om de aangegeven redenen toch geboden was en daarom Nederlands politieke steun verdiende. Ook dan zou er in Nederland grote onenigheid zijn overgebleven, maar misschien minder onvrede over het feit dat de regering geen open kaart had gespeeld.

Sluit dit venster om naar het artikel terug te keren