Napraten over de gedoogconstructie

Op 28 november 2011 heb ik in NRC Handelsblad geschreven wat ik van de gedoogconstructie vond: ‘De gedoogconstructie is een buitenlandspolitiek onding dat, als het kabinet-Rutte voorbij is, nooit meer van stal moet worden gehaald.’ Welnu, het kabinet-Rutte is voorbij, en hoewel napraten vaak weinig zin heeft, heb ik – met misschien ook enkele anderen – nog wel behoefte aan een begrijpelijk antwoord op de vraag waarom VVD en CDA uitgerekend de PVV de rol van gedoogpartner hebben toebedeeld.

Tijdens de formatie van 2010 kon ik mij nog voorstelllen dat Rutte en Verhagen zoveel verzet tegen hun bezuinigingsagenda verwachtten dat ze van de steun van een vaste derde partij verzekerd wilden zijn. Maar bij de presentatie van het regeer- en gedoogakkoord op 30 september 2010 steunde Wilders weliswaar eerst de complete ‘rechtse’ agenda (ombuigingen van 18 mrd, er komt geen kilometerheffing, Nederland wordt veiliger met 3000 extra politieagenten, ‘ongekende’ maatregelen om  de toestroom van asielzoekers en immigranten in te dammen, er komt een minimumstraf voor recidivisten, enz.), maar daarna ging hij stevig op de ‘linkse’ toer: “De PVV is bij uitstek de partij voor de hardwerkende mensen in Nederland die het niet cadeau krijgen.”  Hij gaf bij voorbaat antwoord op de voor de hand liggende vraag: Hoe viel dat te rijmen met zijn enthousiasme over de bezuinigingen van maar liefst 18 mrd? “Dat is nodig na jaren van socialistisch potverteren door Wouter Bos. We kunnen de kinderen van Nederland niet opzadelen met steeds verder uit de klauw lopende overheidsfinanciën. Een echt sociaal beleid, dat is een fatsoenlijke begroting.” Maar hij onderstreepte daarbij dat de PVV wel had weten te bereiken dat de ingrepen in de sociale zekerheid beperkt bleven. “Wij hebben  gevochten om delen van de verzorgingsstaat overeind te houden.”

Naast beperking van de schade had de PVV ook winst behaald. Een voorbeeld was de ouderenzorg: “Hier hebben wij – een  belangrijk onderdeel van het gedoogakkoord – keihard voor geknokt.” Er komt structureel bijna één miljard euro extra voor de zorg voor ouderen; dat zijn 12.000 extra verpleegkundigen. Omgekeerd is bijna twee miljard euro aan bezuinigingen op de thuiszorg,  WMO, verhoging van de eigen bijdrage voor bewoners van zorginstellingen, geschrapt. “Een pakket om trots op te zijn,” zo besloot Wilders.

Wie hier eind september 2010 naar geluisterd heeft, moet onmiddellijk hebben beseft dat Wilders’ triomf niet voor herhaling vatbaar was. Als er in een later stadium verder moest worden bezuinigd, zou Wilders niet nog een keer het socialistisch potverteren door Wouter Bos de schuld kunnen geven en zou hij veel meer door hemzelf in de wacht gesleepte winst aan sociale zekerheid moeten kunnen tonen om van ‘een pakket om trots op te zijn’ te kunnen spreken.

Hoe komt het toch dat in de echte coalitie niemand heeft zien aankomen dat de gedoogconstructie met Wilders niet tegen een tweede bezuinigingsronde bestand zou zijn? Misschien komt het doordat men bij VVD en CDA zelf is gaan geloven dat het alleen om de Islam ging. Bij de presentatie van het regeer- en gedoogakkoord op 30 september 2010 had Rutte het immers als volgt uitgelegd: “Waarom geen gewoon kabinet van drie partijen? Dat is omdat wij het op één punt oneens zijn; dat heeft te maken met de Islam: voor de PVV is de Islam een ideologie, voor de VVD en het CDA is het een religie.”

Als de ministers en Kamerleden van de VVD en het CDA echt hebben gemeend – en daar moeten we toch wel van uitgaan – dat de kwestie van ‘ideologie’ of ‘religie’ het enige punt was waar zij het met Wilders niet over eens waren, hebben ze toch wel een fors aantal andere verschillen over het hoofd gezien.

© Peter van Walsum, 5 mei 2012