Nederland is anders

De internationale rechtsorde

Volgens de website van de Rijksoverheid {1} speelt Nederland in de internationale rechtsorde een bijzondere rol. “Den Haag huisvest een groot aantal van de verantwoordelijke internationale organen, zoals het Internationaal Strafhof en het Joegoslavië-tribunaal. Den Haag is daarmee de internationale juridische hoofdstad van de wereld.”

Deze passage zou niet hebben misstaan in een folder van VVV Den Haag, maar voor Nederlanders die zich om de internationale rechtsorde bekommeren berust de bijzondere rol die ons land daarin speelt toch in de eerste plaats op de gewetensvolle wijze waarop in de Nederlandse politiek het volkenrecht in acht wordt genomen. Het is niet voor niets dat artikel 90 van onze Grondwet de regering opdraagt de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen.

Dit gerenommeerde artikel geeft overigens niet aan hoe die bevordering in haar werk zal moeten gaan. Het is denkbaar dat de ontwikkeling van de internationale rechtsorde op termijn wordt bevorderd door een militaire ingreep in het Irak van Saddam Hussein {*} die niet door de Veiligheidsraad is geautoriseerd maar wel een zegenrijke regime change teweegbrengt. Het is ook heel goed denkbaar dat de ontwikkeling van de internationale rechtsorde door de ingreep wordt geremd, gestopt of teruggedraaid. Kortom, artikel 90 heeft geen operationele betekenis en schrijft de regering niet voor, om met Kooijmans te spreken (zie noot 4 hieronder), het volkenrecht als enige referentiekader te hanteren. Wie dat wel van de regering verlangt degradeert art. 90 tot steriele getuigenispolitiek.

Weinig of geen andere landen hebben een dergelijke beginselverklaring in hun grondwet staan, maar in de Nederlandse politiek wordt er graag een beroep op gedaan. Art. 90 is het geliefde wapen van hen die vinden dat de regels van het volkenrecht onder geen voorwaarde ooit mogen wijken voor de eisen van de internationale politiek. Het artikel geniet een welhaast gewijde status omdat het vredelievende karakter van ons land en volk er zo kernachtig in tot uitdrukking komt.

Toch vindt deze interpretatie weinig steun in de wordingsgeschiedenis van het artikel. Tijdens de voorbereiding van de grondwetsherziening van 1953 was eerst overwogen het begrip ‘oorlogsverklaring’ uit de Grondwet te schrappen omdat dit door commissievoorzitter Van Eysinga uit de tijd werd geacht. Maar de Staatscommissie-Van Schaik vond dat het ondanks de nieuwe vormen van internationale samenwerking die zich in de Verenigde Naties en de NAVO hadden ontwikkeld, juridisch mogelijk moest blijven een land de oorlog te verklaren. Tenslotte werd besloten tot handhaving van het begrip, nadat de tegenstanders daarvan met de vreedzaam klinkende maar weinig betekenende woorden van het huidige art. 90 waren tevredengesteld.


De commissie-Davids

Toen het rapport van de commissie-Davids {2} op 12 januari 2010 werd gepresenteerd bevond ik mij ver van Nederland, wat door de voorzitter en de vijf overige leden van de commissie niet bezwaarlijk was geoordeeld omdat alle vragen bij zo’n gelegenheid toch tot de voorzitter worden gericht. Waar wij geen rekening mee hadden gehouden, was dat het lijvige boek van 551 pagina’s, naast het rapport van de commissie, op p. 270 ook een kanttekening van mijn hand {3} bevatte die niet onder de verantwoordelijkheid van de commissie en haar voorzitter viel, althans niet verder dan wat betreft het op p. 22 beschreven besluit van de commissie om in hoofdstuk 8 ‘aan haar lid Van Walsum de ruimte [te bieden] om in een apart kader zijn visie te geven op de consequenties van het ontbreken van een volkenrechtelijk mandaat tot de militaire actie tegen Irak.’

De volgende dag, op 13 januari, ontving ik een email van een prominent Nederlands praatprogramma dat graag contact met mij wilde hebben over het rapport van de commissie-Davids. Toen ik terugschreef dat ik van plan was tot eind februari in Maleisië te blijven, was het antwoord dat men dan eind februari weer contact met mij zou zoeken. Maar op 20 februari 2010 viel het kabinet Balkenende IV door onenigheid over de voortzetting van de missie in Uruzgan. De belangstelling van de media voor het rapport van de commissie-Davids ebde snel weg en het praatprogramma heeft niets meer van zich laten horen.

Ons rapport zou toen misschien geheel uit het nieuws verdwenen zijn als de oud-minister van Buitenlandse Zaken, prof. Peter Kooijmans, niet nog net op de valreep in de NRC van 19 februari 2010 {4} de hamvraag voor de commissie-Davids (Heeft de Nederlandse regering de aanval op Irak terecht politiek gesteund?) had geherformuleerd als: ‘Moet de regering zich wel te allen tijde door het volkenrecht laten leiden?’ Doordat ik nog steeds in Maleisië zat heb ik dat met enige vertraging gelezen en er pas op gereageerd in de NRC van 27 februari 2010{5}. In de sinds de val van het kabinet verstreken week leek de belangstelling voor ons rapport – en zeker voor mijn kanttekening – vrijwel tot het nulpunt gedaald, en ik kan mij dan ook geen enkele reactie op mijn artikel herinneren. Toch kan ik ook nu nog lezing van beide artikelen aanbevelen omdat onze standpunten tot mijn verrassing weinig uiteenliepen. Ik kon leven met de kop van Kooijmans’ artikel: “Volkenrecht leg je niet terzijde,” omdat deze stelling in het artikel zelf sterk genuanceerd werd door de zin: “Natuurlijk zal niemand die bij zinnen is stellen dat het volkenrecht bij het nemen van buitenlands-politieke besluiten het enige referentiekader is.” Dat week nauwelijks af van mijn bewering dat zich situaties konden voordoen waarin het volkenrecht eenvoudig niet het laatste woord kon hebben. Er stonden bepaald geen twee scholen tegenover elkaar.

Een rapport waarin het kabinetsbeleid van eind 2002/begin 2003 wordt onderzocht maar dat pas begin 2010 het licht ziet, kan zijn actualiteit alleen ontlenen aan de mate waarin het zittende kabinet erdoor in gevaar wordt gebracht. Dat leek eerst het geval te zijn, maar toen dat kabinet eenmaal om een heel andere reden gevallen was, ben ik door niemand meer op mijn kanttekening aangesproken en heb ik dus ook geen aanleiding gezien die schriftelijk toe te lichten.


Nieuwe vragen

Maar de laatste tijd worden mij wel weer vragen over mijn kanttekening gesteld. Men wil weten of ik daar nog steeds achter sta. Ben ik nog steeds van mening dat de Nederlandse regering de Amerikaans-Britse aanval op Irak in 2003 terecht politiek heeft gesteund? In het licht van de rampzalige consequenties van die oorlog valt dat tien jaar later toch niet vol te houden? Heeft het misschien iets te maken met mijn persoonlijke betrokkenheid bij de voorgeschiedenis, zoals door mijn voorzitterschap van het Irak-Sanctiecomité in 1999 en 2000?

Uit veel van die vragen leid ik af dat mijn kanttekening geen succes is geweest. Ik ben er kennelijk niet in geslaagd mijn standpunt op een voor iedere lezer van het rapport begrijpelijke wijze uiteen te zetten. Daar ben ik natuurlijk zelf voor verantwoordelijk, maar ook weer niet helemaal, omdat mij maar één pagina ter beschikking stond en ik nu eenmaal veel te vertellen had. Voorzover in de korte periode tussen de presentatie van het rapport en de val van het kabinet de media mijn kanttekening hebben opgemerkt, hebben ze er weinig meer over weten te melden dan dat ik als enige in de commissie vond dat Nederland de Amerikaans-Britse inval in Irak terecht politiek had gesteund.

Dat is juist, maar niet genoeg. Er zit niets anders op dan dat ik nog eens – maar nu met meer ruimte tot mijn beschikking – samenvat wat mij in november 2009, toen het rapport werd afgerond, precies heeft bezield. Dat is geen zinloos nakaarten, want het zal iedereen toch wel duidelijk zijn dat ons land op elk moment weer met een keuze als die van 2002/2003 kan worden geconfronteerd.


De kanttekening in vijf punten

1.
“Aan de toch al niet algemeen geaccepteerde geldigheid van deze ‘corpustheorie’ was op 8 november 2002 door de aanvaarding van resolutie 1441 een eind gekomen.” Ik had hier beter de woorden ‘voor wat de inval in Irak betreft’ aan kunnen toevoegen, want de corpustheorie kan natuurlijk altijd in een ander kader opnieuw worden ingeroepen. Zij is alleen buiten werking gesteld voor de zaak die in resolutie 1441 aan de orde is, en dan nog niet eens door de tekst van de resolutie, die dubbelzinnig is. De meeste historische resoluties danken het aan hun dubbelzinnigheid dat zij konden worden aangenomen, en dat is in res. 1441 bij uitstek het geval. Alles draaide namelijk om de vraag of er, als Irak in gebreke bleef, een tweede resolutie vereist was om (in casu de VS en het VK) tot interventie te machtigen. Hoewel daar in de Veiligheidsraad wel over gesproken is, ontbreekt in de resolutie iedere verwijzing naar de noodzaak van een vervolgbesluit; er staat alleen dat de Raad dan onmiddellijk zou bijeenkomen ‘to consider the situation.’ Hierop heeft in de kanttekening betrekking de zin: “In weerwil van enkele dubbelzinnigheden in de tekst stelde deze resolutie per saldo buiten twijfel dat voor de volkenrechtelijke legitimering van een inval in Irak een ‘tweede resolutie’ onontbeerlijk was.”
Omdat er in de kanttekening geen ruimte was om uit te leggen wat met ‘per saldo’ werd bedoeld, volgt die uitleg nu. Als een resolutie voor tweeërlei uitleg vatbaar is wordt voor haar interpretatie grote, en vaak doorslaggevende, betekenis gehecht aan de door de VR-leden afgelegde stemverklaringen. In dit geval hebben zowel de VS (Negroponte) als het VK (Greenstock) verklaard dat er geen ‘automaticity’ was met betrekking tot het gebruik van geweld. Vooral de uitspraak van Negroponte: ‘This resolution has no hidden triggers,’ heeft mij er in het door de commissie-Davids hieraan gewijde overleg geleidelijk van overtuigd “dat het volkenrechtelijke standpunt van de regering – te weten dat de schending door Irak van het samenstel (corpus) van de sinds 1990 door de Veiligheidsraad aangenomen resoluties militaire actie tegen Irak juridisch rechtvaardigde – niet goed te verdedigen viel.”

2.
“Volgens hem dient een verantwoordelijke regering zich niet alleen door de regels van het volkenrecht maar ook door de eisen van de internationale politiek te laten leiden.” Men vergelijke dit slechts met de zin in het NRC-artikel van Kooijmans: “Natuurlijk zal niemand die bij zinnen is stellen dat het volkenrecht bij het nemen van buitenlands-politieke besluiten het enige referentiekader is.”

3.
“Het was in 2002 niet duidelijk hoe zonder de bereidheid van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zo nodig zonder mandaat van de Veiligheidsraad in Irak militair in te grijpen, nog kon worden voorkomen dat na de onafwendbare instorting van het sanctieregime Saddam Hussein de enorme Iraakse olieopbrengsten zou gebruiken om zijn sluimerende kernwapenprogramma te reactiveren.” Mensen die hierop tegenover mij hebben gereageerd zijn het vrijwel zonder uitzondering met mij oneens. Er was volgens hen helemaal geen Iraaks kernwapenprogramma, en wat er op dat gebied ooit bestaan had was in 1995 door IAEA vakkundig opgeruimd. Als Saddam Hussein er niettemin in geslaagd was een kernwapen te bemachtigen, zou hij daar nooit gebruik van hebben gemaakt; hij was niet suïcidaal. Het schrikbeeld van de regionale nucleaire proliferatie dat ik in mijn kanttekening had geschilderd was daarom niet zo angstaanjagend dat het een oorlog kon rechtvaardigen, want de wereld had met wederzijdse nucleaire afschrikking leren leven: tijdens de partition van het Britse subcontinent in 1947 had toch ook niemand zich kunnen voorstellen dat India en Pakistan ooit nucleair bewapend maar zonder oorlog tegenover elkaar zouden staan? Bovendien was in de aanloop tot de Irak-oorlog nauwelijks nog over kernwapens gesproken. In de kanttekening signaleer ik toch zelf dat de Nederlandse regering toen voornamelijk uitspraken deed die de indruk wekten dat in haar visie de Iraakse dreiging in de eerste plaats van onmiddellijk inzetbare biologische en chemische wapens uitging?
Dit laatste komt bij mij het hardste aan. In het Irak-Sanctiecomité heb ik steeds nonproliferatie – het uitsluiten van de mogelijkheid dat Saddam Hussein een kernwapen in handen zou krijgen – als onze kerntaak beschouwd. Biologische of chemische wapens vormden zeker ook een groot gevaar maar kwamen met afstand op de tweede plaats. Ik heb er nog steeds geen verklaring voor waarom Washington en Londen (en Den Haag) tegen 2003 zo volledig op de B/C-toer zijn gegaan. De mogelijke verklaring die ik in mijn Cleveringarede heb aangevoerd (namelijk dat Bush en Blair er wellicht van zijn uitgegaan dat een actuele dreiging de publieke opinie eerder met militair ingrijpen zou verzoenen dan een potentieel  gevaar) vind ik zelf steeds minder bevredigend.

4.
“Van Walsum vraagt zich af of de regering er niet beter aan zou hebben gedaan de Kamer en het Nederlandse volk uit te leggen dat er voor de inval volkenrechtelijk geen overtuigende rechtsgrond was, maar dat een militaire ingreep om de aangegeven redenen toch geboden was en daarom Nederlands politieke steun verdiende.” Dit is nog steeds mijn mening. Het op dit punt geen open kaart spelen vind ik een grotere fout van de regering dan het na 8 november 2002 vasthouden aan de corpustheorie.

5.
Het heeft veel lezers verbaasd dat ik in de kanttekening eerst zorgvuldig uiteenzet waarom er naar mijn mening voor de inval – en dus ook voor de politieke steun daaraan – volkenrechtelijk geen overtuigende rechtsgrond was, en onmiddellijk daarna dit feit van zijn praktische betekenis beroof door aan te tonen dat in dit geval het volkenrecht voor een dwingende eis van de internationale politiek moest wijken.
Ik heb wel begrip voor die verbazing maar zie niet hoe een conflict tussen de regels van het volkenrecht en de eisen van de internationale politiek anders kan worden aangepakt. De volgorde lijkt me juist. Als er een volkenrechtelijke grondslag is voor wat de politiek verlangt, is er geen probleem. Zo niet, dan moet het een tegen het ander worden afgewogen. Voor die afweging bestaan geen volkenrechtelijke regels.


‘Met de kennis van nu’: was de inval politiek een goed besluit?

De moeilijkste vraag is natuurlijk die of ik nog steeds achter mijn kanttekening sta. Ik kan niet ontkennen dat – niet pas sinds januari 2010 (de presentatie van het rapport met mijn kanttekening) maar al sinds april 2003 (toen de invasie nog geen maand oud was) – naarmate duidelijker werd hoe incompetent, nonchalant en arrogant de oorlog door de coalitie (lees: de Amerikanen) werd gevoerd, mijn standpunt dat de aanval tegen Irak terecht had plaatsgevonden onder druk kwam te staan. Daar klonk al iets van door in de Cleveringarede die ik op 26 november 2004 in Leiden heb uitgesproken {6}. Hoewel ik daarin de onontkoombaarheid vanregime change in Irak verdedigde en eraan herinnerde dat in de Amerikaanse Senaat 29 van de 50 Democraten voor de oorlog hadden gestemd, viel aan een zinspeling op de algemene desillusie die zich inmiddels van de voorstanders van de invasie had meester gemaakt, niet te ontkomen. Ik beschreef eerst hoe tegen het eind van 2000 in New York algemeen was ingezien dat de school van decontainment het tegen die van de regime change had afgelegd en dat het beleid van de in november tot president verkozen George W. Bush vroeg of laat de omverwerping van Saddam Hussein zou inhouden. Ik zei dat dit door velen werd gebillijkt maar voegde daar onmiddellijk aan toe dat niemand natuurlijk had kunnen vermoeden dat de Amerikanen Irak zouden binnenvallen zonder zich voldoende op de bezettingsfase te hebben voorbereid. Dat mag nog steeds zo zijn, maar ik ben achteraf minder gelukkig met mijn bagatellisering van de gevolgen die een wèl goed voorbereide invasie zou hebben gehad. Want hadden de Amerikanen voor de bezettingsfase wèl de juiste plannen gemaakt en deze ook uitgevoerd, zo zei ik ongeveer, ‘dan zou de discussie over de rechtvaardiging van de oorlog binnen enkele maanden verstomd zijn.’

Dit is een voorbeeld van iets wat ik nu anders zou zeggen. Zo zijn er meer. In dezelfde rede zeg ik over de juridische rechtvaardiging van de aanval iets wat vrijwel overeenkomt met de ‘corpustheorie’ van Buitenlandse Zaken anno 2003 (vrij samengevat: zonder VR-mandaat aanvallen mag niet, maar bindende VR-resoluties negeren mag ook niet; het laatste kan soms het eerste legitimeren). Dat was inderdaad mijn mening, maar in de loop van 2009 ben ik door de discussies in de commissie-Davids tot de conclusie gekomen dat voor wat de inval in Irak betreft aan de geldigheid van de ‘corpustheorie’ op 8 november 2002 een eind was gekomen, omdat op die dag door de aanvaarding van resolutie 1441 buiten kijf was komen te staan dat voor de volkenrechtelijke legitimering van een inval in Irak een ‘tweede resolutie’ onontbeerlijk was.


Toevlucht tot de media

Omdat ik de indruk kreeg dat ik in Nederland nergens meer met mijn kanttekening hoefde aan te komen, heb ik, zoals ik ook vóór de Irak-oorlog had gedaan, enkele brieven aan de Financial Times geschreven. In die van 11 oktober 2010 {7} haakte ik in op een artikel van Philip Stephens, die een maand tevoren als deelnemer aan de Global Strategic Review van het International Institute for Strategic Studies getroffen was geweest door de overeenkomsten tussen de analyses van Henry Kissinger en James Steinberg (de toenmalige deputy secretary of state en dus plaatsvervanger van Hillary Clinton). Beiden zagen nucleaire proliferatie als het werkelijke gevaar (the really dangerous game-changer) van deze tijd. Ik schreef hoezeer dit contrasteerde met de sfeer in Europa, waar men sinds de Irak-oorlog van 2003 – een oorlog gevoerd ter eliminering van massavernietigingswapens die niet bestonden – eerder geneigd was zich over nucleaire proliferatie niet al te druk te maken. Ik noemde dit verreweg de schadelijkste consequentie van de Irak-oorlog.

In de brief van 13 september 2011 {8} reageerde ik op een hoofdartikel in de FT waarin de Irak-oorlog als ‘a war of choice: as it turned out, a bad one’ werd betiteld. Het interessante van dit hoofdartikel was dat het de rampzalige consequenties van de oorlog op de meest pregnante wijze wist te omschrijven maar ook bijna terloops constateerde dat zonder de oorlog Saddam Hussein ‘might by now have been nuclear-armed.’ In mijn brief merkte ik op dat we op grond van de drie door de krant genoemde consequenties nog steeds tot de conclusie konden komen dat het een slechte keuze was geweest, maar dat door deze passage die conclusie veel minder vanzelfsprekend werd.

Tot zover mijn brief over de ‘war of choice.’ Het is misschien nog steeds te vroeg om te beoordelen of de keus goed of slecht is geweest (ik denk vooral aan het ongrijpbare sektarische geweld in Irak), maar ik heb toch even willen signaleren dat in ieder geval de hoofdredactie van de Financial Times in september 2011 van mening was dat zonder de Irak-oorlog Saddam Hussein rond die tijd nucleair bewapend had kunnen zijn.

Op 19 augustus 2002, ruim een half jaar voor het uitbreken van de oorlog, heb ik in een brief aan de Financial Times {9} de stelling verdedigd dat door de gang van zaken rond de Russische ontwerpresolutie tot veroordeling van de NAVO-actie tegen Servië in 1999 de regel dat een militaire interventie alleen gerechtvaardigd was als zij op een specifieke VR-resolutie berustte, achterhaald was. Blijkens hoofdstuk 8 van het rapport van de commissie-Davids heeft de directie juridische zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken zich toen op het standpunt gesteld dat mijn verwijzing naar Kosovo niet toepasselijk was omdat daarbij sprake was van een humanitaire interventie (p. 246). Blijkbaar mocht volgens die directie het vereiste van een VR-mandaat dan rustig worden genegeerd, zoals ook de hele Nederlandse politiek in 1999 de steeds duidelijker wordende negatieve consequenties van de NAVO-bombardementen aanvaardbaar of irrelevant bleek te vinden omdat het een humanitaire interventie betrof. Ik mag hier de lezer wel aanbevelen nog eens na te lezen wat ik in de NRC van 27 februari 2010 geschreven heb over de in ons land bijna unanieme verheerlijking van die actie als het schoolvoorbeeld van een geslaagde humanitaire interventie (zie noot 5 hier).

De andere conclusie in laatstgenoemde brief aan de FT is dat militaire interventie juridisch gebaseerd kan zijn op de voortdurende niet-naleving door een land van een bindende Veiligheidsraadsresolutie. Daar hebben we waarachtig de corpustheorie weer! Die had ik in mijn kanttekening toch buiten de orde verklaard? Dat klopt, maar mijn brief aan de Financial Times dateert van 19 augustus 2002, terwijl aan de ‘toch al niet algemeen geaccepteerde geldigheid’ van de corpustheorie pas op 8 november 2002 door de aanvaarding van resolutie 1441 een eind is gekomen. Als in de toekomst in een overeenkomstige situatie de Veiligheidsraad géén resolutie aanneemt die duidelijk impliceert dat een tweede resolutie nodig is om tot het gebruik van geweld te machtigen, kan de corpustheorie opnieuw de kop opsteken.


Conclusie

Ik sluit dit artikel af met als laatste bijlage een informele aantekening die ik als basis heb gebruikt voor het college voor buitenlandse studenten dat ik op 20 januari 2005 als aantredend Cleveringahoogleraar aan de Irak-oorlog heb gewijd{10}. Het is een ongecorrigeerd stuk zonder enige status, maar het illustreert goed waar het mij in 2005, vier jaar voor de oprichting van de commissie-Davids, in wezen om ging. Ik kon eenvoudig niet accepteren dat de inval in Irak illegitiem was geweest om de enkele reden dat er geen Veiligheidsraadsmandaat voor had bestaan. Maar aan de andere kant zag ik ook niet goed hoe de inval te rechtvaardigen viel, anders dan met een beroep op de algemene onvolkomenheid van het volkenrecht. Als de Veiligheidsraad tolereert dat zijn Hoofdstuk VII-resoluties jarenlang door een land worden genegeerd, is er naar mijn gevoel geen grond voor verontwaardiging als andere landen besluiten zonder Veiligheidsraadsmandaat in dat land te interveniëren. In de aantekening baseer ik mij vooral op de opvattingen van Adam Roberts, Montague Burton Professor of International Relations aan de universiteit van Oxford, auteur van het hoofdstukThe Use of Force in het boek dat ik voor mijn colleges in Leiden als aanbevolen literatuur had aangewezen {11}. Roberts ziet geen heil in strikte naleving van het verbod op een noch door de Veiligheidsraad gemandateerde noch in zelfverdediging ondernomen militaire actie. De band tussen het consistent niet naleven door een land van Hoofdstuk VII-resoluties, het onvermogen van de Veligheidsraad dat land tot de orde te roepen vanwege de bescherming die het van een of twee permanente leden geniet en de uiteindelijke bereidheid van andere staten om zonder VR-mandaat in dat land te interveniëren kan volgens hem niet eenvoudig worden genegeerd.

In de laatste zin wordt de hele visie van Roberts samengevat. Die bleek naadloos aan te sluiten op mijn beroep op de algemene onvolkomenheid van het volkenrecht. Als de door Roberts beschreven patstelling door het volkenrecht wordt mogelijk gemaakt, is er iets mis met het volkenrecht. Het kan niet zo zijn dat de kous daarmee af is. Als sommige landen dan bereid zijn zonder VR-mandaat in te grijpen, is dat niet een (misschien onvermijdelijke maar altijd diep treurige) zondeval in de ogen van het volkenrecht, maar een normale correctie op de uitkomst van de praktische toepassing van een nu eenmaal gebrekkig volkenrecht, ten aanzien waarvan landen hun standpunt zullen moeten bepalen. Een land kan zich bij de interventie aansluiten, er een bijdrage aan leveren, haar politiek steunen, betreuren, veroordelen, of wat voor andere nuances daartussen nog denkbaar zijn: alles mag, behalve het dilemma eenvoudig negeren op grond van de leerstelling dat het volkenrecht altijd het laatste woord heeft.

Zolang het een permanent lid van de Veiligheidsraad vrijstaat eerst een Hoofdstuk VII-resolutie te laten passeren (door ervoor te stemmen of zich te onthouden) en later de Raad te beletten (alleen al door met een veto te dreigen) het land dat die resolutie aan zijn laars lapt onder Hoofdstuk VII tot de orde te roepen -– en ik zie niet hoe dat ooit zou kunnen worden verboden -– staat het vast dat de door Roberts beschreven situatie zich met enige regelmaat zal voordoen. Het lijkt daarom verstandig dat Nederland zich daarop voorbereidt door ervoor te zorgen dat de regering en de Tweede Kamer tenminste beseffen voor wat voor dilemma’s zij nog zullen komen te staan. Die voorbereiding zou kunnen bestaan in een Kamerdebat over de praktische betekenis van artikel 90 Grondwet, waarin bijvoorbeeld de volgende vragen aan de orde zouden kunnen komen:


1. Is het juist dat Nederland in de internationale rechtsorde een bijzondere rol speelt (zoals wij op de website van de Rijksoverheid kunnen lezen)?

2. Hebben wij dat te danken aan het feit dat onze regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert, en zijn er concrete voorbeelden van zowel die bevordering als de bijzondere rol die Nederland dientengevolge in de internationale rechtsorde speelt?

3. Is de Kamer van mening dat Nederland nooit kan instemmen met een militaire ingreep die noch op een mandaat van de Veiligheidsraad berust noch plaatsvindt in de uitoefening van het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging?

4. Wat dient het Nederlandse standpunt te zijn als een land waaraan in een Hoofdstuk VII-resolutie van de Veiligheidsraad iets wordt opgedragen deze resolutie stelselmatig negeert, een of twee permanente leden de Veiligheidsraad vervolgens beletten dat land met maatregelen genoemd in Hoofdstuk VII van het Handvest tot de orde te roepen, en andere landen – leden of niet-leden van de Veiligheidsraad – tenslotte zonder machtiging door de Veiligheidsraad tot een gewapend optreden tegen dat land besluiten?


Er zal in de Kamer misschien weinig animo voor zo’n vooralsnog hypothetisch voorbereidend debat bestaan. Maar als deze voorbereiding achterwege blijft, zal wel vast moeten worden nagedacht over de samenstelling van de volgende commissie-Davids, die later in dit decennium tot taak zal hebben onderzoek te doen naar de voorbereiding en besluitvorming over het standpunt dat Nederland ten aanzien van de dan aan de orde zijnde ongemandateerde interventie zal hebben ingenomen.

 

 

Noten/Notes

1. Website Rijksoverheid http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationale-vrede-en-veiligheid/internationale-rechtsorde
GO BACK
2.  Rapport Commissie van onderzoek besluitvorming Irak, Amsterdam, Boom, 2010.
GO BACK
3.  Kanttekening Commissielid Van Walsum (zie hier)
GO BACK
4. NRC Handelsblad 19 februari 2010, Volkenrecht leg je niet ter zijde, door Peter Kooijmans (zie hier)
GO BACK
5.  NRC Handelsblad 27 februari 2010, Grenzen van Volkenrecht zijn bereikt (zie hier)
GO BACK
6.  Irak passage uit Cleveringarede van 26 november 2004 (zie hier)
GO BACK
* In dit artikel en bijgaande voetnoten en citaten wordt voor de naam van de voormalige president van Irak zowel de Engelse als de Nederlandse spelling (resp. Hussein en Hoessein) gebezigd.
GO BACK

Notes in English

(notes 7-10)

7.  Financial Times 11 oktober 2010, Most damaging legacy of Iraq war (zie hier/see here)
GO BACK
8.  Financial Times 13 september 2011 (zie hier/see here)
GO BACK
9.  Financial Times 19 augustus 2002, Iraq and international law (zie hier/see here)
GO BACK
10. Aantekeningen voor college Leiden 20 januari 2005 (zie hier/see here)
GO BACK
11. David M. Malone ed., The UN Security Council From the Cold War to the 21st Century (Boulder, Lynne Rienner, 2004)
GO BACK