Nivellering

Dit stuk gaat over verkleining van inkomensongelijkheid. Het is een thema dat zich niet rationeel gedraagt: het kan onverwachts opduiken maar ook weer zonder evidente aanleiding geruisloos verdwijnen. In de Nederlandse politiek heeft het sinds de jaren tachtig geen grote rol gespeeld. ‘Nivelleren, terug van weggeweest,’ kopte Trouw dan ook op 12 november, toen zorgvuldige bestudering van het op 29 oktober door de Tweede Kamerfracties van VVD en PvdA bereikte regeerakkoord met als motto ‘Bruggen slaan’ had uitgewezen dat de nieuwe coalitie de nivellering weer van stal had gehaald. Terwijl in ons land wel bijna iedereen van mening is dat extreme – en dan meestal vanzelf ook nog groeiende – inkomensongelijkheid een land ernstig kan schaden, is er veel minder eenstemmigheid over de vraag of nivellering de neiging heeft een land sterker of juist zwakker te maken.

In de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 6 november waren er wat mij betreft redenen genoeg om niet op Mitt Romney te stemmen, maar ik nam aan  dat veel Amerikanen gewoon genoeg hadden van het gemak waarmee de ex-gouverneur van Massachusetts, afhankelijk van de fase waarin de campagne zich bevond, zijn standpunten in conservatieve dan wel gematigde richting wist bij te stellen (zie onder ENGLISH: One flip-flop too many, 7 november 2012). Zelf had ik geen morele problemen met Romney’s uitzonderlijke wendbaarheid, ik vond het boeiend te zien hoe ver hij durfde te gaan en vroeg mij steeds af of zijn tactiek van grote slimheid of domheid getuigde. Er zijn overigens onderwerpen waarover Romney gedurende de hele campagne zijn standpunt niet gewijzigd heeft, en op sommige daarvan heb ik met heel wat minder gelijkmoedigheid gereageerd. Eén onderwerp raakte het thema verkleining van inkomensongelijkheid, namelijk Romney’s reactie op Obama’s voorstel betreffende de ‘Bush-era tax cuts’ (de in 2001 en 2003 onder Bush doorgevoerde belastingverlagingen voor alle Amerikanen, die aan het eind van dit jaar komen te vervallen). Obama wilde deze faciliteiten voor Amerikanen met een inkomen van meer dan $ 250.000 inderdaad laten verlopen maar ze voor ieder ander met een jaar verlengen. Romney wees deze gedachte eerst van de hand door erop te wijzen dat het bij uitstek de rijkste Amerikanen waren die banen schiepen, maar toen onder andere in een rapport van de Brookings Institution enige vraagtekens bij deze stelling waren geplaatst, gooide hij het over een andere boeg. Misschien hadden we hier eindelijk met de ‘echte Romney’ te maken. Obama’s plan was volgens hem ‘divisive’: de President had het op de rijken gemunt en zaaide daarmee tweedracht waar in deze moeilijke tijd juist nationale eenheid geboden was. Hij, Romney, kon voor die eenheid zorgen want voor hem was er maar één Amerika, één natie, ‘One Nation under God.’

Met die laatste vier woorden, ontleend aan de ‘Pledge of Allegiance,’ werd het woord ‘divisive’ toegevoegd aan het republikeinse vocabulaire van ‘un-American,’ ‘socialist,’ ‘elitist’ en nog meer, waarmee werd aangeduid dat Obama niet in het Witte Huis hoorde en de echte Amerikanen hun Amerika terug wilden hebben. Anders dan aan Romney’s flip-flopping heb ik mij hier wèl aan geërgerd. Romney’s schaamteloze inzet voor de belangen van de rijkste Amerikanen heeft mij zo tegen de borst gestuit dat ik tegen 6 november, nog zonder het zelf helemaal te beseffen, althans in Amerika in het kamp van de nivelleringsgezinden was beland. Na de verkiezingen was ik niet alleen opgelucht dat Obama gewonnen had, maar vooral dat hij zijn dubbele meerderheid interpreteerde als een mandaat van het Amerikaanse volk om ervoor te zorgen dat de rijkste Amerikanen meer belasting gingen betalen.

Maar Amerika is geen Nederland en rechts is in Amerika heel wat rechtser dan bij ons. In Den Haag waren de VVD en de PvdA het ondertussen eens geworden over een regeerakkoord, dat op de blog van de VVD werd verwelkomd als ‘evenwichtig pakket om Nederland sterker uit de crisis te halen.’ Daarna was de kabinetsformatie nieuwe stijl vlot verlopen en op de dag voor de Amerikaanse verkiezingen afgerond.  Pas nadat Obama herkozen was heb ik het regeerakkoord goed gelezen en uit de commentaren opgemaakt dat de woorden ‘sterker uit de crisis’ kennelijk mantra-status hadden gekregen. ‘Het financieel en sociaal-economisch beleid van dit kabinet,’ zo las ik verder, ‘kent drie onlosmakelijk met elkaar verbonden pijlers: de schatkist op orde brengen, eerlijk delen en werken aan duurzame groei.’ Vooral de woorden ‘onlosmakelijk met elkaar verbonden’ trokken mijn aandacht. Dat was duidelijke taal: geen eerlijk delen, dan ook geen op orde gebrachte schatkist en geen duurzame groei. Er viel niets op aan te merken; dit leek mij een correcte beschrijving van het door de VVD verwelkomde evenwichtige pakket.

Ik vond het wel frappant dat al mijn twijfels over nivellering zo snel weer bij mij opkwamen. Hoe was het mogelijk dat ik in Nederland sinds de jaren zeventig bij elke gelegenheid die zich daarvoor leende tegen nivellering had gepleit en in 2012 zo enthousiast was over de herverkiezing van een Amerikaanse president die zich tot taak stelde de rijken meer belasting te laten betalen? Dit leek me een goede aanleiding om eens na te gaan hoe ik in het verleden mijn bezwaren tegen nivellering in Nederland onder woorden had gebracht. Ik raadpleegde daarvoor mijn in 2001 uitgegeven boekje Verder met Nederland waarin het vierde hoofdstuk aan (mijn reactie op) het kabinet-Den Uyl was gewijd, en een in 2003 door mij in de Engelse Kerk te Amsterdam gehouden rede onder andere over de vraag of ons land niet met wat minder gelijkheid gebaat zou kunnen zijn.

De voornaamste consequentie van die raadpleging was dat ik besloot beide stukken op mijn website te zetten. Het hoofdstuk over het kabinet-Den Uyl plaats ik integraal omdat mijn reactie op dat unieke kabinet één geheel vormt, maar bij de Engelse Kerk Lezing beperk ik me tot de onderdelen die met nivellering te maken hebben. In ieder geval maken beide teksten voldoende duidelijk dat mijn bezwaar tegen nivellering uitsluitend berust op mijn vrees dat deze de positie van Nederland in de wereld eerder zal verzwakken dan versterken. Het draait dus allemaal om dat magische ‘sterker uit de crisis’ dat ons door het kabinet-Rutte II wordt beloofd. Ik kom daar aan het slot van dit stuk op terug.

Verder met Nederland, hoofdstuk 4

Het kabinet-Den Uyl

In de eerste twee jaren van het kabinet-Den Uyl woonde ik ver van Nederland, eerst nog in New York en daarna in New Delhi (mijn vierde post). Op beide plaatsen was ik buiten het bereik van de Nederlandse elektronische media, met het gevolg dat ik Den Uyl in die tijd nooit live op de televisie heb gezien. Wel heb ik hem in 1973 een keer over de radio gehoord, en daarvan zijn twee sound bites in mijn geheugen blijven hangen. Eerst sprak hij op gekwelde toon over ‘die afschuwelijke prestatiemaatschappij’ en daarna hield hij een warm pleidooi voor ‘een meer ontspannen samenleving’. Later begreep ik dat hij in die uitzending vermoedelijk Keerpunt ’72, het gezamenlijk regeerakkoord van de progressieve drie (PvdA, D66 en PPR), had geparafraseerd, want daarin trof ik de volgende passage aan: ‘Het aksent dient niet langer te liggen op kennisoverdracht en prestatiedrang, maar op ontwikkeling van kreativiteit, kritische zin, politieke bewustwording. Dit maakt ook een welzijnsbeleid mogelijk waarbij de drang tot wedijver plaats maakt voor ontspannen samenleven.’

Den Uyl was niet helemaal een onbekende voor mij. Enkele jaren voor zijn premierschap had ik hem een keer ontmoet en toen ook geruime tijd met hem kunnen spreken. Dat was op zaterdag 23 augustus 1969 in Boekarest. Den Uyl was als voorzitter van de PvdA-fractie te gast op de Roemeense nationale feestdag. Tijdens het communistische bewind vierde Roemenië op die dag elk jaar het feit dat koning Michael op 23 augustus 1944 met geallieerde steun de door hem op 14 september 1940 onder Duitse druk aangestelde conducator, generaal Antonescu, had afgezet om het land in staat te stellen in een handomdraai van een actief pro-Duits op een actief pro-Sovjet beleid om te schakelen.

Onze ontmoeting viel in de tijd dat Ceauşescu, zoals gezegd, in het Westen geen kwaad kon doen, maar tot mijn opluchting had Den Uyl geen goed woord over voor de parade waarmee dit niet al te glorieuze moment uit de Roe­meense geschiedenis werd gevierd. Het grimmige militaire defilé werd namelijk zoals ieder jaar gevolgd door een optocht van honderden spontaan juichende burgers, van wie wij op de ambassade wisten (en Den Uyl zonder meer begreep) dat de salarissen werden ingehouden (of erger) als zij zo dom waren de nationale feestdag als een vrije dag te beschouwen. Maar hoewel het regime van Ceauşescu ons beiden evenzeer tegen de borst stuitte, liepen onze conclusies nogal uiteen. Terwijl ik van mening was dat het communisme eenvoudig niet kon werken zolang op elk niveau de staat alles bedisselde en iedere vorm van marktwerking van de hand werd gewezen, verzette Den Uyl zich koppig tegen de conclusie dat er gebieden waren waar de overheid het bij definitie moest afleggen tegen de markt. Het communisme was natuurlijk bij voorbaat gediskwalificeerd doordat het niet democratisch was (dat sprak voor hem zo vanzelf dat er niet over gepraat hoefde te worden), maar in een echte, functionerende democratie was er geen enkele reden de collectieve sector te wantrouwen en uit dien hoofde principieel aan banden te leggen. Ik citeer uit mijn hoofd, want ik bezit geen aantekeningen van ons gesprek, maar Den Uyl maakte in ieder geval helemaal duidelijk dat hij rotsvast in de maakbaarheid van de samenleving en in de leidende rol daarin van de overheid geloofde. Wat hem in Roemenië tegen de borst stuitte, was het gebrek aan democratie; het gebrek aan welvaart stoorde hem minder. Onze schraperige samenleving (dat woord is me bijgebleven) was ook niet alles.

Verder herinner ik mij niet meer dan enkele flarden van ons gesprek. Het viel mij op dat Den Uyl zich positief – of tenminste geïnteresseerd – uitliet over de Verenigde Staten. Sprekend over Roemeense toestanden kon ik zo gauw niet op het woord ‘nep’ of ‘volksverlakkerij’ komen, zodat ik het over ‘eyewash’ had. Den Uyl herhaalde dat woord bijna koesterend en trok een gezicht als van een fijnproever terwijl hij het uitsprak. Ik proefde met hem mee. Maakbare samenleving of niet, in Ceauşescu’s Roemenië voelden wij ons beiden sterk tot Amerika aangetrokken.

Toen Den Uyl eenmaal premier was en ik hem, zoals gezegd, niet kon horen of zien, probeerde ik mij natuurlijk aan de hand van geschreven teksten – vooral zijn talrijke artikelen in Socialisme & Democratie – een oordeel over hem te vormen. De regeringsverklaring van 28 mei 1973 trok vooral aandacht door de geruchtmakende passage over het streven naar opheffing van ongelijkheid en achterstelling. Daarin verklaarde de regering zich ervan overtuigd dat de bestrijding van inflatie slechts dan kans van slagen had als ze werd geplaatst in het ruimere kader van het terugdringen van bestaande ongelijkheid in inkomen, bezit, macht en kennis. Nog ingrijpender dan die spreiding van kennis leek mij de passage waarin werd ingegaan op het ‘tot uiting komen in onze samenleving van een nieuwe mentaliteit’. De betrokken passage was wat cryptisch geformuleerd, maar het was duidelijk dat deze nieuwe mentaliteit in de plaats moest treden van de hebzucht, ‘die wel als kenmerk van onze industriële samenleving wordt gezien’. De regering signaleerde voorts ‘de toeneming van met name gevaarlijke vormen van criminaliteit’ maar hoopte de preventie van strafbaar gedrag in de eerste plaats te bevorderen door ‘het verbeteren van de welzijnsvoorzieningen’.

Het viel mij op dat de uitspraken van het kabinet-Den Uyl altijd iets achterbaks kregen als de regering zich, steeds met zichtbare tegenzin, gedwongen voelde in vraagstukken van orde, gezag, schuld en boete een standpunt in te nemen. Een strenge, straffende overheid verdroeg zich nu eenmaal slecht met de ontspannen samenleving die ons in Keerpunt ’72 in het vooruitzicht was gesteld. In de troonrede van 17 september 1974 ontkwam het kabinet er niet aan een belangrijke uitbreiding van de politie aan te kondigen, en zo’n onaangename law and order-boodschap diende natuurlijk progressief te worden verpakt. Drie hele zinnen moest koningin Juliana maar liefst uitspreken eer ze eindelijk met die uitbreiding van de politie op de proppen mocht komen: ‘In deze tijd van toenemend geweld vraagt de bescherming van persoon en goed bijzondere zorg. Het onderzoek naar de oorzaken van de verruwing zal worden verdiept. De regering zal, voor zover dit in haar vermogen ligt, verandering brengen in de maatschappelijke factoren die agressief gedrag in de hand kunnen werken.’

Nergens werd in dit verhaal ook maar één moment de indruk gewekt dat het om zoiets onappetijtelijks als misdaadbestrijding ging. ‘Deze tijd van toenemend geweld’ leek betrekking te hebben op een natuurverschijnsel dat van elders op ons afkwam, het woord ‘verdiept’ klonk nogal graverig en dus progressief, en ‘verruwing’ wekte de indruk dat we hooguit met wat stoeiende kinderen te maken hadden. Dit was overigens ook de tijd dat het spoorboekje ophield te waarschuwen dat reizigers zonder kaartje een boete riskeerden. In plaats daarvan stond er nu onder het hoofd ‘Spelregels’ dat voor iemand die zonder kaartje in de trein werd aangetroffen, de reis ‘vervelend duur’ werd.

De vermenselijking van de samenleving die ons in Keer­punt ’72 was toegezegd, was in korte tijd grandioos voortgeschreden. Bijna elke uitspraak van Den Uyl of van zijn kabinet leek zo geredigeerd te zijn dat bij de toehoorder of de lezer de indruk bleef hangen dat alles wat tot dusver niet mocht nu was toegestaan, en dat alles wat tot dusver moest nu niet meer hoefde. Veel mensen die dertig jaar later nog met nostalgie aan Den Uyl terugdenken, roemen zijn profetische aard. Dat lijkt mij een juiste typering, al laat ik het roemen graag aan anderen over. Er klonk inderdaad vaak iets bijbels door in wat Den Uyl ons te vertellen had. In 1973 ademde zijn hele optreden iets van de Openbaring van Johannes, waarin hij die op de troon gezeten was zeide: ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw.’

Ik stond ervan te kijken hoe veel mensen in mijn naaste omgeving zich tot deze sfeer aangetrokken voelden. Vooral mensen van kerkelijken huize bleken er zelden tegen bestand. Minstens drie van mijn collega’s op de permanente vertegenwoordiging in New York deden dag in dag uit hun uiterste best zich aan het nieuwe denken aan te passen. Ik zal hun namen niet noemen omdat ze in de jaren tachtig allemaal weer normaal zijn geworden en volgens mij allang niet meer weten wat voor vreemde denkbeelden ze in de jaren zeventig verkondigd hebben. Aan het vergeven en vergeten valt trouwens alleen al daarom niet te ontkomen omdat we met enorme aantallen te doen hebben. Er is naar mijn indruk geen ander land ter wereld waar in de jaren zeventig zoveel inwoners hun gezond verstand geweld hebben aangedaan om op hun omgeving als progressief over te komen.

Wat mij in dit alles het meest stoorde, was de stelling dat het uit de tijd was zich voor Nederland in te spannen. Met Den Uyls emotionele uithaal naar ‘die afschuwelijke prestatiemaatschappij’ nog in mijn oren vroeg ik mij af wat afschaffing van de prestatiemaatschappij zou betekenen voor de positie van Nederland in de vaart der volken, het inspirerende thema waarop ik tien jaar eerder mijn beroepskeuze had gebaseerd. Ik vroeg mij af hoe het Nederland zou vergaan als binnen onze grenzen de prestatiemaatschappij werd afgeschaft terwijl zij wereldwijd natuurlijk bleef bestaan. Wie moest voor de belangen van ons land opkomen als in onze ontspannen samenleving de mensen hadden afgeleerd hun best te doen? En wat betekende de opheffing van ongelijkheid in kennis in een normale maatschappij waarin de meeste mensen helemaal niet in uitbreiding van hun kennis geïnteresseerd waren? Als dat erop neerkwam dat de ‘opeenhoping van kennis bij weinigen’ werd afgeremd, zouden er niet veel mensen overblijven met wie ons land internationaal voor de dag kon komen.

In het voorjaar van 1973 was er overigens niet veel te merken van Nederlanders die naar meer kennis verlangden. De behoefte aan meer inkomen gaf daarentegen aanleiding tot de grootste stakingen die ons land sinds de Tweede Wereld­oorlog had meegemaakt. In ongeveer tweehonderd bedrijven werd door circa tachtigduizend werknemers het werk voor kortere of langere tijd neergelegd. Deze vorm van meer willen hebben viel, gezien de bestaande ongelijkheid, niet onder het begrip hebzucht waarover Den Uyl enkele weken later in zijn regeringsverklaring de staf zou breken. Integen­deel, wat het bedrijfsleven in toenemende mate frustreerde, was dat premier Den Uyl herhaaldelijk de indruk wekte aan de kant van de stakers te staan. Pas jaren later las ik in enkele interviews dat Den Uyl als premier erg weinig contact had met het bedrijfsleven en dat hij een curieus gebrek aan belangstelling voor ondernemers aan den dag legde. Maar dat hij voor een premier rijkelijk ver ging in zijn begrip voor have-nots die meer wilden hebben, was ook toen al duidelijk. Daarom was ik bijvoorbeeld niet zo gelukkig met de hierboven al geciteerde passage over ‘de toeneming van met name gevaarlijke vormen van criminaliteit’. De volstrekt over­bodige toevoeging van de woorden ‘met name gevaarlijke vormen van’ kon immers de indruk wekken dat ongevaarlijke vormen van criminaliteit, zoals winkeldiefstal, door de regering niet als een probleem werden gezien. De rond die tijd in zwang gekomen uitdrukking ‘proletarisch winkelen’ werd daar ineens een stuk minder grappig door.

Dat in de jaren zeventig zoveel Nederlanders stonden te dringen om zich tot een progressieve mentaliteit te bekennen, hield natuurlijk ook verband met het feit dat de optie van een middenkoers door Den Uyl effectief was uitgeroeid. In zijn beroemde artikel ‘De smalle marge van democratische politiek’ in Socialisme & Democratie van augustus 1970 had Den Uyl een soort totale maatschappelijke tweedeling nog als ‘irreëel en onjuist’ van de hand gewezen, maar tegen de verkiezingen van 1972 had hij zich er kennelijk bij neergelegd dat een totale opdeling van het electoraat in twee categorieën, namelijk linkse kiezers die de terugdringing van de bestaande ongelijkheid in inkomen, bezit, macht en kennis wilden bevorderen, en rechtse kiezers die deze terugdringing wilden belemmeren, de enige mogelijkheid was om een progressieve regering in het zadel te helpen. Deze ‘fundamentele tegenstelling’ moest worden ‘blootgelegd’, zij mocht niet langer worden ‘toegedekt’.

Was het binnen ons land al moeilijk genoeg op basis van deze tegenstelling progressief van conservatief, links van rechts of goed van kwaad te onderscheiden, bij de Verenigde Naties – waar ik toen werkte – was het criterium helemaal onbruikbaar. Er bestond in de VN wel een fundamentele tegenstelling tussen progressief en conservatief, maar het criterium daarvoor was of men zich al dan niet sterk maakte voor de bevrijding van Zimbabwe, Namibië, Angola, Mozambique, Guinea-Bissau en Palestina. Wij maakten ons zeker sterk voor de bevrijding van de eerste vijf maar zwegen over Palestina, want het kabinet-Den Uyl steunde Israël, en geen klein beetje ook. In de Derde Commissie moest ik zonder meer tegenstemmen als in een resolutie van het Palestijnse volk gesproken werd (‘Palestijnse vluchtelingen’ mocht wel). Dat maakte Nederland niet populair onder de delegaties van de derde wereld, want voor de overgrote meerderheid van hen was Israël een zuiver koloniale creatie, waarmee het Westen wederrechtelijk een stuk Afro-Aziatisch grondgebied bezet hield. Daar viel natuurlijk best wat op af te dingen, maar niet op basis van de fundamentele tegenstelling van het kabinet-Den Uyl.

Er zijn heel wat gebieden waarop in de jaren zeventig begrippen als ‘nieuwe mentaliteit’ en ‘fundamentele tegenstelling’ weldenkende en fatsoenlijke mensen tot standpunten hebben bewogen waar ze nu liever niet meer aan herinnerd worden. Een boeiend voorbeeld daarvan is het terrein van de permissiviteit, de bereidheid onwettig gedrag door de vingers te zien. Ik heb mij vaak afgevraagd hoe het toch komt dat socialisten, die in het debat met het liberalisme altijd zo haarscherp weten te signaleren dat in de economische sfeer vrijheid voor de een onvrijheid voor de ander kan betekenen, blijkbaar niet kunnen inzien dat het met tolerantie tegenover onwettig gedrag precies zo gesteld is. Tolerantie is geen absoluut begrip. Het oogluikend toestaan dat sommige mensen dingen doen die eigenlijk verboden zijn, kan voor andere mensen een hel op aarde betekenen. In zijn eerder genoemde ‘Smalle marge’-artikel heeft Den Uyl het over ‘een smalle marge van wat eigenlijk niet mag, maar soms kan worden aanvaard ter wille van de nood, die de wet breekt’. Hij had deze wat ongrijpbare formulering nodig om achteraf zijn instemming met de bezetting van de senaatskamer in Tilburg goed te praten, maar de nieuwe mentaliteit heeft ervoor gezorgd dat die smalle marge sindsdien heel wat breder is geworden.

Na het eerste – en naar later zou blijken enige – kabinet-Den Uyl heerste er in ons land een onbegrensde tolerantie ten aanzien van alle soort activiteiten die vroeger de aandacht van de zedenpolitie zouden hebben getrokken. Hoe dit precies met het streven naar spreiding van inkomen, bezit, macht en kennis te rijmen viel, was mij eerst niet duidelijk, want pornografie en prostitutie hadden zich openlijk tot een complete bedrijfstak van hard-kapitalistische en voor enkelen zeer lucratieve free enterprise ontwikkeld. Maar bij nader inzien begreep ik dat de tolerantie ten aanzien van pornografie en prostitutie niets met het spreidingsideaal te maken had maar voortkwam uit het steeds hoger opgevoerde geloof in de maakbaarheid van de samenleving en in het ontstaan daarin van de nieuwe mens. In het strafrecht was de repressie krachtig teruggedrongen, en criminologen hadden de mond steeds meer vol van vrijheid, volwassenheid en eigen verantwoordelijkheid. Wat dit in de praktijk betekende, ontdekte ik tijdens een bezoek aan Rotterdam in juni 1977. Ik woonde inmiddels in Londen (mijn vijfde post), Den Uyl was zojuist tot kabinetsformateur benoemd en iedereen verwachtte dat het tweede kabinet-Den Uyl binnen een maand of twee tot stand zou komen. Op het buitenraam van een kiosk trof ik een selectie aan van de pornografische publicaties die daarbinnen te koop waren. Ik voel mij niet geroepen de strips in kwestie hier in detail te beschrijven, maar ik kan de lezer verzekeren dat geen van de vertoonde plaatjes iets met ‘sex between consenting adults’ te maken had. Ik kon mij nauwelijks voorstellen dat al die afbeeldingen van seksueel geweld door iemand als progressief konden worden beschouwd.

Gelukkig werden in die kiosk ook nog kranten verkocht en zo las ik iets over het vruchteloos gebleven streven van de PvdA (Kosto en Molleman) de Nederlandse Volksunie van Glimmerveen bij de wet te laten verbieden. Ik kon het niet laten naar aanleiding hiervan in NRC Handelsblad een artikel te schrijven (ik deed dat in die tijd regelmatig om te bewijzen dat diplomaten in den vreemde niet noodzakelijkerwijze van hun land vervreemden), waarin ik constateerde dat zij die de obsceniteiten van Glimmerveen met de wet te lijf wilden gaan, zich juist het hardnekkigst plachten te verzetten tegen strafrechtelijke vervolging van mensen die obsceniteiten van een ander kaliber het licht deden zien. In die gevallen verlangden zij dat het Openbaar Ministerie zich niet liet leiden door de wet maar door de stelregel dat iedere volwassen Nederlander zelf moest kunnen bepalen wat hij wenste te lezen, horen of zien.{1}

Op dit artikel kreeg ik twee weken later een reactie van prof. dr. G.P. Hoefnagels, criminoloog aan de Erasmus-Universiteit (en later, van 1987 tot 1995, lid van de Eerste Kamer voor D66), die mijn vergelijking ongelukkig noemde omdat de Nederlandse Volksunie ons terugvoerde ‘naar het walgelijk racisme, waarin de ene mens zich superieur acht aan de ander en daaraan bovendien nog een recht op machtsuitoefening over de ander ontleent’.

Ik had de plaatjes op de Rotterdamse kiosk niet beter kunnen omschrijven. Maar de reden waarom ik de reactie van Hoefnagels hier, bijna een kwarteeuw na dato, toch nog even letterlijk wil weergeven, is dat ik geen beter voorbeeld bij de hand heb van de opgewonden progressieve toon die in ons land na vier jaar kabinet-Den Uyl doodnormaal werd gevonden. In zijn reactie op mijn artikel citeerde Hoefnagels als volgt uit eigen werk: ‘De liberale culturen [van Oud, Geertsema en Vonhoff] zijn verdwenen achter de militante stijve rug van de kwajongen Wiegel. Niet Hans Wiegel persoonlijk, maar de opgeklommen kleine luyden achter hem, de angstige bourgeois, degenen die hun eigen seksualiteit vrezen en zich verschansen achter een vest van deftigheid… de hielenlikkers van de nieuwe tsaren hebben het liberalisme om zeep gebracht.’{2}

Het is verleidelijk dit hoofdstuk over Den Uyl op deze komische noot af te sluiten, maar zo grappig was het eigenlijk niet. De verheerlijking door progressieve criminologen van vrijheid, volwassenheid en eigen verantwoordelijkheid was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de vergoelijkende manier waarop in de jaren zeventig in ons land over incest (‘familieseks’) en kinderporno (‘kinderseks’) werd geschreven. Dat was de keerzijde van Den Uyls profetische stijl. Op alle mogelijke gebieden werden gedreven mensen erdoor geïnspireerd alle remmen los te gooien en met zinnige ideeën op een onzinnige manier aan de haal te gaan. Na vier jaar kabinet-Den Uyl was aan onze hele samenleving een steekje los. Uiteindelijk is geen enkel terrein die dans ontsprongen, ook al zijn in de economie de catastrofale indicatoren pas later aan het licht getreden. Ik heb de zomer van 1977 in een staat van grote somberheid doorgebracht, want het leek erop dat God zelf niet meer kon verhinderen dat er een tweede kabinet-Den Uyl zou komen.

Bovenstaand hoofdstuk beschrijft dus hoe tussen 1973 en 1977 het kabinet-Den Uyl op mij is overgekomen, en wel in de bewoordingen waarin ik dat in 2000-2001 heb samengevat. Het is dus in beide opzichten een sterk verouderde impressie; de wereld heeft sindsdien niet stilgestaan. De hieronder volgende fragmenten uit de toespraak die ik op 5 november 2003 in Amsterdam heb gehouden zijn daarom actueler en voor het zittende kabinet misschien ook relevanter, vooral door de interessante uitspraken die Wouter Bos op 14 juni 2003 op het Politiek Forum in Arnhem heeft gedaan.{3}

Fragmenten uit Freshfields Engelse Kerk Lezing 2003
5 november 2003

[…..]

Twee jaar geleden vroegen wij ons nog af of Melkert dan wel Dijkstal onze volgende premier zou zijn. En nu leven we al weer bijna vijf maanden onder het tweede kabinet-Balkenende. Het eerste kabinet-Balkenende lijkt te kortstondig te zijn geweest om zijn stempel op onze politiek te hebben kunnen drukken, maar geschiedschrijvers zullen dat later misschien anders zien. Balkenende I heeft de aanzet gegeven tot een proces waarvan het eind nog lang niet in zicht is en dat men zou kunnen omschrijven als de opmars van de bespreekbaarheid van voormalige taboe-onderwerpen.

Bespreekbaar en onbespreekbaar zijn relatief jonge begrippen. Onder het kabinet-Den Uyl – om maar even een willekeurig referentiepunt te kiezen – kwamen de woorden in onze taal nog niet voor. Het woord ‘bespreekbaar’ is voor het eerst in 1984 in de Grote Van Dale opgedoken. In 2002 heeft bij de overgang van Paars naar Balkenende bespreekbaarheid de hoofdrol gespeeld.

 “Problemen waren te lang onbespreekbaar,” zei premier Balkenende op 26 juli 2002 in zijn eerste regeringsverklaring. De problemen waar hij toen op doelde waren overlast, onveiligheid, toenemend geweld en de moeizame inburgering van vreemdelingen in onze samenleving, kortom de primaire voedingsbodem van de zegevierende LPF. Een klein jaar later, bij het aantreden van het tweede kabinet-Balkenende op 11 juni 2003, was er van de LPF niet veel meer over, maar de opmars van de bespreekbaarheid was niet meer te stuiten en nam allang niet meer genoegen met het immigratie- en minderhedenbeleid. Het nieuwste onderwerp dat nu schoorvoetend bespreekbaar begint te worden is de vraag of ons land niet met wat minder gelijkheid gebaat zou kunnen zijn.

Zo geformuleerd zouden de meeste Nederlandse politici vermoedelijk nog wel huiverig zijn die vraag bevestigend te beantwoorden, maar er rust kennelijk geen taboe meer op de constatering dat het gelijkheidsideaal in ons land te ver is doorgeschoten. In de regeringsverklaring van zijn tweede kabinet waarschuwde Balkenende dat Nederland op het punt van groei, werkgelegenheid en inflatie al drie jaar lang slechter presteerde dan het Europese gemiddelde. Het woord ‘gelijkheid’ nam hij toen nog niet in de mond, maar hij kondigde wel de oprichting aan van een innovatieplatform en sprak in dat verband van een katalysator diehet beste uit Nederland naar boven zou halen. Op 1 september verduidelijkte Balkenende wat hij daarmee bedoelde: “De gelijkheidsdeken, die nu nog grote delen van onze kennissamenleving bedekt, mag wat mij betreft flink worden opgeschud.”

Ook in de Partij van de Arbeid was ondertussen de gelijkheid ter discussie gesteld. Wouter Bos had op 14 juni zijn partijgenoten opgeroepen gelijkheid “een stap terug” te laten doen “ten faveure van participatie als nieuwe centrale notie voor de sociaal-democratie.” Wilde men de welvarende middenklasse aan de collectieve sector verbonden houden, dan moest men wel ruimte maken voor meer keuzevrijheden en zou men kleine ongelijkheden moeten accepteren om grotere ongelijkheden en een totale tweedeling te vermijden.

Aangezien het standpunt van de VVD, met zijn nadruk op vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en dynamiek, op dit punt voldoende duidelijk is, maken we dus voor het eerst mee dat de drie grote partijen, op wat voor uiteenlopende gronden ook, vraagtekens zetten bij het gelijkheidsideaal. Dat wil nog lang niet zeggen dat er een consensus in de maak is. Gelijkheid en ongelijkheid kunnen voor verschillende mensen verschillende dingen betekenen. Voor sommigen is het gewoon een kwestie van eerlijk delen, maar bij anderen heeft het gelijkheidsideaal ook te maken met het niet goed kunnen verdragen dat mensen verschillend zijn. Die tweede variant, die ik als gelijkheid in de hoofden zou willen omschrijven, is in ons land het verst doorgeschoten en heeft er de meeste schade aangericht. Het tegenovergestelde dáárvan is niet alleen het wèl aanvaarden dat mensen verschillend zijn, maar ook het innig dankbaar zijn voor dat feit, omdat wij de dynamiek en de vitaliteit van onze samenleving – en daarmee zowel onze cultuur als onze welvaart – eraan te danken hebben.

[…..]

…van de politiek vallen geen creatieve ideeën te verwachten zolang de drie grote partijen niet beseffen dat ze alle drie boter op het hoofd hebben. In eerste aanleg zal natuurlijk de neiging bestaan de PvdA op het doorgeschoten gelijkheidsideaal aan te kijken. Per slot van rekening zijn de sociaal-democraten op dit gebied altijd de grote voortrekkers geweest. De VVD heeft nooit nagelaten voor een teveel aan gelijkheid te waarschuwen, en wat onze christen-democratische premier betreft mag, zoals wij reeds hoorden, de gelijkheidsdeken flink worden opgeschud. De PvdA zit dus met de zwartepiet en lijkt dit zelf ook wel zo te zien, want Wouter Bos heeft toegegeven dat zijn partij verkeerd met het gelijkheidsideaal is omgegaan door zich te vaak te laten verleiden “dat te willen zien als gelijke uitkomsten in plaats van als gelijkwaardigheid.”

Toch zou ik de PvdA een al te grote boetvaardigheid willen ontraden, omdat de schuld volgens mij niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, bij die partij ligt. Dat het ideaal bij ons zo is doorgeschoten komt minder door sociaal-democratische agitatie dan door christen-democratische angsthazerij. Dat sociaal-democraten gelijkheid willen bevorderen kan niemand verrast hebben. Dat is de roeping van de sociaal-democratie. Maar wat Nederland in Europa tot een unicum maakt is dat de christen-democraten bij ons hebben nagelaten de hun in de orde der dingen toekomende matigende rol te spelen. We kunnen het de PvdA moeilijk kwalijk nemen dat haar ideaal doorschiet als het ingecalculeerde tegengas achterwege blijft.

De historische doorschieter die ons land voor decennia op het verkeerde been heeft gezet, dateert dan ook niet van het kabinet-Den Uyl, maar van het zes jaar oudere kabinet-De Jong, dat net als het kabinet-Balkenende uit christen-democraten en liberalen bestond. Dat kabinet regeerde van 1967 tot 1971 en kreeg daardoor geheel onvoorbereid te maken met de Parijse “gebeurtenissen van mei” in 1968 en, een jaar later, de studentenbezettingen in Nederland, culminerend in de uitroeping van de Karl Marx Universiteit in Tilburg en eindigend met de bezetting van het Maagdenhuis, hooguit een steenworp verwijderd van de kerk waar wij ons op het ogenblik bevinden.

Het christen-democratische kamp, dat toen nog niet over een gezamenlijke partij beschikte, was in die dagen ten prooi aan grote onrust, omdat allerminst zeker was dat het streven naar christen-democratische eenheid bestand zou zijn tegen de lokroep van links om kleur te bekennen door voor progressieve òf conservatieve politiek te kiezen. Vooral katholieke politici zaten vreselijk in hun maag met het conservatieve imago dat de KVP door de nacht van Schmelzer had opgelopen en zochten krampachtig naar gelegenheden om dat door uitingen van progressiviteit te neutraliseren. De minister van Onderwijs, prof. dr. G.H. Veringa, hoefde niet lang naar zo’n gelegenheid te zoeken. In Frankrijk had de Nationale Assemblee met algemene stemmen een universitaire hervormingswet aanvaard waarbij docenten en studenten een mate van medezeggenschap was toegekend. In Nederland, waar het studentenprotest vergeleken met Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten weinig om het lijf had gehad, vond Veringa het nodig aanzienlijk verder te gaan. Hij ontwierp ’s werelds meest radicale Wet Universitaire Bestuurshervorming (de WUB), die in 1970 van kracht werd. Onder die wet werden Universiteitsraden de hoogste bestuursorganen in de universiteiten, en deze raden werden samengesteld uit vertegenwoordigers van het wetenschappelijk personeel, de studenten en het niet-wetenschappelijk personeel, aangevuld met een aantal door de regering aangestelde leden van buiten de universitaire gemeenschap. Wat deze wet uniek maakte was de gelijkwaardigheid van studenten en hoogleraren, in de wandeling aangeduid als studenten-medebestuur, een absurditeit die pas in 1997 tot medezeggenschap kon worden teruggeschroefd. In de KVP van 1970 heerste grote opluchting over het feit dat de partij met de WUB de beschikking kreeg over een brevet van progressiviteit waarmee zij in de verkiezingen van 1971 voor de dag kon komen. Het enige waar nu nog behoefte aan bestond was een onvervalst progressieve lijsttrekker. Het kabinet-De Jong had ondanks de felle oppositie van de PvdA het eind van de rit gehaald, en De Jong zelf scoorde bijzonder goed in de opiniepeilingen. Het enige nadeel dat aan hem kleefde was dat hij een marine-achtergrond had. De partij besloot daarom niet hem maar de gevierde Veringa als lijsttrekker aan te wijzen. Een deel van het electoraat was kennelijk niet van deze doorzichtige aanpassing aan de tijdgeest gediend, en in de verkiezingen van 1971 verloor de KVP zeven van haar 42 zetels.

[…..]

Ik heb het tot hier toe nauwelijks over inkomensongelijkheid gehad. Het is een onderwerp waar ik zelf niet erg warm voor kan lopen. In ons land bepleit aan de ene kant vrijwel niemand extreme inkomensverschillen, terwijl aan de andere kant ook niemand zo dwaas is te vinden dat alle mensen evenveel zouden moeten verdienen. Binnen die twee uitersten zullen de maatschappelijke krachten en de politiek wel een passende oplossing weten te vinden. De gelijkheid in de hoofden is een onderwerp dat mij veel meer bezighoudt, omdat dat verschijnsel zo verraderlijk te werk gaat. Toch zou het naïef zijn te menen dat er tussen het accepteren van ongelijkheid tussen de mensen en het kunnen leven met inkomensongelijkheid geen enkele relatie bestaat. Ik ben er niet zeker van dat alle politici die nu zo op stimulering van de kenniseconomie aandringen ook al hebben nagedacht over de vraag wat dit voor de aanvaarding van inkomensongelijkheid betekent. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat wij ons uiterste best gaan doen talent op te sporen en tot ontwikkeling te brengen om vervolgens lijdelijk toe te zien hoe dit, eenmaal ontwikkeld, in een gestadige stroom naar het buitenland vertrekt, eenvoudig omdat daar meer te verdienen valt. Ik denk dat er niets anders op zit dan dat wij ook in ons land leren meer inkomensongelijkheid te verdragen.

Het opschudden van de gelijkheidsdeken kan niet tot de opleidingsfase beperkt blijven. Ook in de fase daarna zal Nederland moeten leren normaler met begrippen als beloning en verdienste om te gaan. Het Nederlands is de enige taal waar ‘eerlijk’ en ‘gelijk’ synoniemen zijn geworden. Wij gebruiken het woord eerlijk niet voor de adequate beloning van een prestatie, maar voor de gelijke beloning van uiteenlopende prestaties. Dat heet eerlijke verdeling, en als iemand meer krijgt, met hoeveel inspanning ook verdiend, wordt dat al gauw niet eerlijk genoemd.

Nederlanders gaan graag prat op hun tolerantie. Maar bij tolerantie gaat het niet alleen om de walletjes en de coffeeshops. Het gaat er minstens evenzeer om, de zon in het water te kunnen zien schijnen. Want alle cultivering van talent zal ons land niet baten als wij niet voldoende ongelijkheid tolereren om het voor dat talent de moeite waard te maken in Nederland te blijven. Talent dat in Nederland blijft, trekt bedrijvigheid naar Nederland. Daarom is een keus voor te veel gelijkheid een keus voor stagnatie. Ik geloof niet dat dit is wat de meeste mensen willen.

[…..] (einde Freshfields Lezing)

De regeringsverklaring van het nieuwe kabinet ademt een rotsvaste overtuiging dat alle pijnlijke maatregelen uiteindelijk zullen worden beloond met een Nederland dat sterker uit de crisis komt: ‘Nederland verdient een duidelijke koers, geen dogma’s, maar doorbraken die Nederland over deze crisis heen sterker maken voor de toekomst. Dat is bij alle partij- en politiekinhoudelijke verschillen tussen de VVD en de Partij van de Arbeid een belangrijk uitgangspunt geweest in de formatiebesprekingen.’ Einde citaat. Men krijgt bijna de indruk dat deze goede afloop voor de VVD meer een uitgemaakte zaak is dan voor de PvdA, die tijdens de economische terugslag van 2002-2003 genuanceerder over dit soort zaken is gaan denken. Wat zijn precies, zo vraag ik me af, die partij- en politiekinhoudelijke verschillen tussen de VVD en de Partij van de Arbeid die de doorbraken die Nederland over deze crisis heen sterker maken voor de toekomst, bijna in de weg hebben gestaan? Wie staat aan welke kant? Zijn beide partijen even bereid het klassieke gelijkheidsideaal op te offeren en kleine ongelijkheden te accepteren om grotere ongelijkheden te vermijden? En vinden beide regeringspartijen de afspraken in het regeerakkoord om de inkomensverschillen te verkleinen even verdedigbaar?

De vraag die veel mensen graag aan de regering gesteld zouden willen zien is waar de zekerheid of grote waarschijnlijkheid op berust dat Nederland sterker uit de crisis zal komen. Misschien ligt dit wel op de weg van het CDA, nu Van Haersma Buma heeft aangekondigd dat de Eerste Kamerleden van het CDA er alles aan zullen doen de nivellering tegen te houden. Het zou ook interessant zijn als een reactie op deze vraag van elk van beide coalitiepartners afzonderlijk kon worden uitgelokt. Beide partijen moeten toch hun eigen redenen hebben gehad om in de regeringsverklaring dit vertrouwen in een goede afloop (een sterker Nederland) uit te spreken. Ik blijf voorlopig van mening dat een keus voor te veel gelijkheid een keus voor stagnatie is.

––––––––––––
1. NRC Handelsblad 16 juni 1977
GO BACK

2. NRC Handelsblad 5 juli 1977
GO BACK

3. Voor de letterlijke tekst daarvan zie … “Ik denk dat wij daarbij de komende tijd drie ideologische wissels om moeten zetten. Het eerste slachtoffer zal daarbij zijn het klassieke gelijkheidsideaal waarbij ook wij ons te vaak hebben laten verleiden dat te willen zien als gelijke uitkomsten in plaats van als gelijkwaardigheid. Als wij ooit al dachten door middel van politiek en overheid gelijke uitkomsten te kunnen bieden en garanderen, dan is dat in onze “open society” alleen maar moeilijker geworden. 
Maar ik wil dat type gelijkheid ook helemaal niet.  Het past niet bij mijn visie op mondige en geëmancipeerde burgers die eigen ruimte willen om eigen wegen te kiezen. Het past niet bij mijn visie op de publieke sector waarbij een grotere nadruk op decentralisatie en ruimte voor de uitvoeringspraktijk, onverbiddelijk zal leiden tot een grotere ongelijkheid. Het past ook niet bij mijn visie op de solidariteit waarbij je om de welvarende middenklasse aan de collectieve sector verbonden te houden, ruimte moet maken voor meer keuzevrijheden en kleine ongelijkheden zal moeten accepteren om grotere ongelijkheden en een totale tweedeling te vermijden. En het past ook niet op de toenemende diversiteit in onze samenleving waardoor one-size-fits-all steeds minder acceptabel en betaalbaar wordt.
De eerste wissel die dus om moet is dat gelijkheid wat mij betreft een stap terug doet ten faveure van participatie als nieuwe centrale notie voor de sociaal democratie. Het moet er niet om gaan of iedereen het zelfde krijgt maar of iedereen naar eigen mogelijkheden mee kan draaien in werk, bestuur en buurt. Laten we daar dan ook ons verhaal en onze reflexen op aanpassen.”
GO BACK