Noot 6 (bij artikel “Nederland is anders”)

Irak passage uit Cleveringarede van 26 november 2004

En toen, als klap op de vuurpijl, kwam de invasie van Irak. Van alle daden van Bush in zijn eerste ambtstermijn heeft de aanval op Irak de betrekkingen tussen Europa en de Verenigde Staten verreweg het meest geschaad. Want ook al zijn er enkele Europese landen waar de regering die aanval politiek of anderszins  heeft gesteund, er is er naar mijn weten niet één waar de bevolking in meerderheid voor de oorlog was.

Vooral daarom was Europa in de afgelopen presidentsverkiezingen zo massaal tegen Bush en dus voor Kerry. Maar het besluit om Saddam Hussein uit te schakelen heeft een lange, gecompliceerde voorgeschiedenis, waar ik graag kort uw aandacht voor vraag. Want net zoals veel Amerikanen nog steeds denken dat Saddam Hussein iets met de aanslagen van 11 september te maken had, zijn er tal van Europeanen die nog altijd geloven dat het idee om Irak aan te vallen voor het eerst bij Bush, Cheney en Rumsfeld is opgekomen.

Sinds de Golfoorlog werd Saddam Hussein op grond van zijn gebleken fascinatie met alle vormen van massavernietigingswapens door zowel Republikeinen als Democraten als een groot gevaar gezien. De cruciale vraag was of dit gevaar kon worden beheerst of dat het moest worden uitgebannen. Met andere woorden: kon met containment worden volstaan of was een militaire ingreep onontkoombaar? Rond deze vraag ontwikkelden zich in Washington twee scholen die elkaar geruime tijd in evenwicht hielden. Maar tegen het eind van 2000 groeide door de erosie van het sanctieregime bij velen de overtuiging dat een vreedzame indamming van Saddam Hussein op den duur niet mogelijk was. Ook veel Democraten kwamen tot die conclusie. Op 11 oktober 2002 machtigde de Senaat met 77 tegen 23 stemmen de President om met of zonder Veiligheidsraadsmandaat Irak aan te vallen. Zoals bekend hoorden Kerry en Edwards tot de voorstemmers. Zij stonden niet alleen: van de vijftig Democratische senatoren stemden er 29 voor en 21 tegen.

Democratische steun voor de verwijdering van Saddam Hussein had zich al eerder gemanifesteerd. Het begrip ‘regime change’ stamt uit de Iraq Liberation Act, die op 7 oktober 1998 – ruim twee jaar vóór de verkiezing van Bush – door de Senaat met algemene stemmen werd aangenomen. Die wet ging niet over een rechtstreekse Amerikaanse militaire interventie maar regelde de ondersteuning van pogingen het regime van Saddam Hussein omver te werpen en de bevordering van de totstandkoming van een democratische Iraakse regering. In zijn verklaring, afgelegd bij de ondertekening van de wet, zei president Clinton de opvatting dat een democratisch Irak op grond van de geschiedenis of de etnische of sektarische samenstelling van het land onbereikbaar was, categorisch van de hand te wijzen.

Maar door de regering-Clinton werd toen ook al enige tijd met militaire actie tegen Saddam Hussein rekening gehouden. Acht maanden eerder, op 17 februari 1998, had Clinton in een rede voor de medewerkers van het Pentagon al verklaard dat de Verenigde Staten Irak niet konden toestaan arsenalen van nucleaire, chemische en biologische wapens aan te leggen. Hij sloot zijn toespraak af met de woorden: “Wij hebben, als God het wil, nog een kans om hiervoor een diplomatieke oplossing te vinden, en zo niet, dan hebben wij, als God het wil, een kans om voor onze kinderen en kleinkinderen het juiste te doen.”

In december van dat jaar gaf Clinton het groene licht voor de operatie Desert Fox,waarin binnen zeventig uur 650 luchtaanvallen werden uitgevoerd en 415 kruisvluchtwapens werden gelanceerd. De operatie was volgens het Pentagon gericht tegen Iraks nucleaire, chemische en biologische wapenprogramma’s, maar bijna de helft van de doelen had daar niet rechtstreeks mee te maken. Minister van Buitenlandse Zaken Albright omschreef de actie als ‘aanwending van militaire macht, niet oorlog.’

Ook nu de regime change heeft plaatsgevonden en een chaos heeft achtergelaten, zijn er nog vooraanstaande Democraten die de aanval op Irak principieel verdedigen. Strobe Talbott, de plaatsvervanger van Madeleine Albright in de regering-Clinton en nu president van de Brookings Institution, stelt zich op het standpunt dat de regering-Bush na 11 september terecht Irak als een kernprobleem heeft geïdentificeerd. Volgens hem zou ook een president Gore of McCain of Bradley de druk op Irak hebben opgevoerd en vroeg of laat tot geweld zijn overgegaan.

Doordat president Bush en premier Blair alle nadruk hebben gelegd op de actuele dreiging van Iraakse chemische en biologische wapens die er helemaal niet bleken te zijn, is bij sommigen de indruk ontstaan dat de oorlog zonder aanleiding is gevoerd. Bush en Blair hebben zichzelf geen dienst bewezen door van de veronderstelde aanwezigheid van chemische en biologische wapens hun casus belli te maken. Waarschijnlijk zijn ze ervan uitgegaan dat een actuele dreiging de publieke opinie eerder met militair ingrijpen zou verzoenen dan een potentieel gevaar. De IAEA, het internationale atoomenergie-agentschap in Wenen, had al vóór 1995 alle Iraakse installaties voor de productie van kernwapens onschadelijk gemaakt en het daarvoor bestemde splijtbaar materiaal fysiek afgevoerd. Zo’n zekerheid bestond er niet ten aanzien van Iraks chemische en biologische wapens. In het licht van het feit dat er sinds december 1998 geen wapeninspecties meer hadden plaatsgevonden werd vrijwel overal – ook in Parijs – aangenomen dat Saddam Hussein over chemische en biologische wapens beschikte. Ook chef-wapeninspecteur Hans Blix achtte dat voldoende waarschijnlijk om zelfs in de Veiligheidsraadszitting van  27 januari 2003 Irak nog op strenge toon te onderhouden over het feit dat het 1000 ton VX-zenuwgas en 8500 liter anthrax niet had kunnen verantwoorden.

Natuurlijk was de waarschijnlijke aanwezigheid van chemische en biologische wapens reden tot zorg, maar de werkelijke dreiging was het onafwendbaar naderende failliet van het op grond van zijn humanitaire consequenties in diskrediet geraakte sanctieregime, dat tot dusver de enorme Iraakse olieopbrengsten uit de handen van Saddam Hussein had gehouden. Het kernprobleem was dus niet chemisch of biologisch, maar nucleair. Als de sancties inderdaad werden opgeheven, zou Saddam Hussein voldoende plutonium of hoogverrijkt uranium kunnen aanschaffen om zijn sluimerende kernwapenprogramma binnen korte tijd weer op te starten.

Onlangs is op dit gebied het laatste woord gesproken in het rapport van de Iraq Survey Group onder leiding van Charles Duelfer. In hun bespreking van dat rapport hebben de media zich vooral geconcentreerd op de conclusie dat Saddam Hussein, anders dan in zoveel hoofdsteden werd verondersteld, na 1991 geen enkel massavernietigingswapenprogramma heeft gereactiveerd. Dit was langzamerhand wel bekend, want anders had Blix in het voorjaar van 2003 wel iets gevonden. Maar de pers heeft nauwelijks aandacht geschonken aan de reden waarom Saddam volgens het rapport Duelfer deze terughoudendheid heeft betracht, namelijk omdat hij al zijn kaarten op de onafwendbare ineenstorting van het sanctieregime had gezet. Eind 2000 waren de Amerikaanse regering en het regime van Saddam Hussein het er in ieder geval over eens dat het sanctieregime op zijn laatste benen liep. In Bagdad zag men dit als het begin van de victorie en in Washington besefte men dat de containment ten einde liep. Onder andere omstandigheden zou dit besef bij de Amerikaanse missie in New York tot koortsachtige activiteit aanleiding hebben gegeven, maar inmiddels was George W. Bush tot president verkozen en ging iedereen ervan uit dat er van hem een geheel nieuw Irakbeleid kon worden tegemoetgezien.

Dat dit vroeg of laat de omverwerping van Saddam Hussein zou inhouden werd in New York algemeen aangenomen en door velen gebillijkt, maar niemand kon natuurlijk vermoeden dat de Amerikanen Irak zouden binnenvallen zonder zich voldoende op de bezettingsfase te hebben voorbereid. Had het Pentagon wel over de troepen beschikt die nodig waren om na de snelle beslissende oorlog, waar Rumsfeld zo trots op was, de grenzen af te sluiten om een toestroom van buitenlandse terroristen te verhinderen, openbare gebouwen, opslagplaatsen en olie-installaties te beveiligen, de water- en elektriciteitsvoorziening snel te herstellen, en in het algemeen orde te handhaven en wetteloosheid te bestrijden, dan zou de discussie over de rechtvaardiging van de oorlog binnen enkele maanden verstomd zijn. Dan zou rond deze tijd alleen onder de juridische fijnproevers voor dat aspect nog belangstelling bestaan.

Aangezien ik hier wel een aantal juridische fijnproevers aanwezig veronderstel, voel ik de behoefte daar toch nog iets over te zeggen. Het geeft natuurlijk eigenlijk geen pas als landen zonder mandaat van de Veiligheidsraad besluiten een ander land aan te vallen. Maar het is ook niet in de haak als een land twaalf jaar lang dwingende Veiligheidsraadsresoluties aan zijn laars lapt en daartoe in staat wordt gesteld doordat twee permanente leden met hun vetorecht de Veiligheidsraad ervan weerhouden dat land tot de orde te roepen. Het is nog maar de vraag door welke van de twee handelwijzen het gezag van de Veiligheidsraad het meest wordt aangetast.


Sluit dit venster om naar het artikel terug te keren