Polarisatie

Toen ik in het voorjaar van 2012 met deze website begon, had ik mij voorgenomen er alleen gebruik van te maken als ik iets te melden had. Dat ik sinds eind juli van dit jaar radiostilte heb betracht, heeft te maken met het feit dat ik rond die tijd ben gaan beseffen dat het grootste actuele gevaar voor de wereldvrede in de Syrische burgeroorlog school en dat dit bij uitstek een onderwerp was waarover ik niets te melden had wat niet al door anderen uitputtend uit de doeken was gedaan.

Om de stilte te doorbreken heb ik nu een ruim 42 jaar oud opiniestuk van mij op de website geplaatst. De titel luidt: ‘Polarisatie verantwoordelijk voor onbehagen bij de kiezers,’ waarbij ik wel wil opmerken dat ook toen al auteurs geen invloed hadden op de kop die vlak voor het ter perse gaan van de krant door de redactie boven hun bijdrage werd gezet. Het artikel is in de zomer van 1973, nog geen drie maanden na het aantreden van het kabinet-Den Uyl, door NRC Handelsblad op zijn nog jonge Opiniepagina gepubliceerd. Het heeft vrijwel geen betekenis voor de huidige Nederlandse politiek omdat onder een kabinet van VVD en PvdA polarisatie geen brandend vraagstuk kan zijn. Alleen het laatste gedeelte (onder ‘Buitenland’) raakt nog steeds de actualiteit: Nederland erkent Palestina nog steeds niet als een staat en Zweden doet dit sinds 30 oktober 2014 wel.

Polarisatie verantwoordelijk voor onbehagen bij de kiezers

door mr. A.P. van Walsum
NRC Handelsblad, 7 augustus 1973

Met een zekere regelmaat komen leden van de Partij van de Arbeid, zoals onlangs de heer P.M.G.P. Janssen van de Wiardi Beckmanstichting (NRC/H – 9 juli), ons in deze krant of elders uitleggen dat polarisatie iets anders is dan wat wij er misschien onder hadden verstaan. Polarisatie is niet het op de spits drijven van tegenstellingen, het scheppen van conflicten waar nog harmonie heerst, het doen herleven van de klassestrijd of het rustloos ageren tot de kribbige sfeer van de Randstad tot in alle hoeken van ons land is doorgedrongen. Neen, polarisatie is eenvoudig een kwestie van concentratie op beleidsalternatieven, gebaseerd op de bestaande fundamentele tegenstellingen in de samenleving.
Polarisatie is dus een volstrekt legitiem hulpmiddel om de opties te verduidelijken en de keuze te vergemakkelijken. Het is met andere woorden een bescheiden stap op de lange weg naar de vervolmaking van onze democratie.

Vragen

Dergelijke betogen roepen hier en daar toch nog wel een aantal vragen op. Het is duidelijk dat een gekozen lichaam zelf voortdurend tussen bepaalde opties dient te kiezen en dat de democratie een zichtbare relatie tussen de ene keuze (de verkiezing van het lichaam) en de andere (de besluitvorming van het lichaam) verlangt. Het is echter minder duidelijk dat deze relatie is gebaat bij een stelselmatig streven voor iedere handeling slechts twee beleidsalternatieven te formuleren. Het verduidelijken van de beleidsalternatieven is namelijk één ding, het baseren hiervan op de bestaande fundamentele tegenstellingen is een ander. Het laatste houdt in dat ieder vraagstuk, hoe technisch ook, in een soort ideologische gehaktmolen wordt gestopt om er in de vorm van twee panklare alternatieven uit te voorschijn te komen: een progressief alternatief, gericht op opheffing van de “bestaande fundamentele tegenstellingen”, en een conservatief alternatief, strekkende tot hun handhaving. De progressieve alternatieven worden vervolgens gekoppeld zodat een progressief programma ontstaat en de kiezer heeft zich maar uit te spreken.
Polarisatie is dus in wezen een stelselmatige tweedeling van alle issues en in laatste instantie een tweedeling van de gehele politiek. De vraag is nu maar of een dergelijk streven de relatie tussen kiezer en gekozene inderdaad versterkt en aldus resulteert in een grotere mate van welbehagen bij de burger, die voor het eerst beseft in een zinvolle democratie te participeren.

Onbehagen

Het lijkt veel aannemelijker dat deze tweedeling juist verantwoordelijk is voor een grote mate van onbehagen bij de vele kiezers die het gevoel hebben in strijd met hun aard en instelling in een onredelijk alternatief te worden gedwongen. Dit gevoel leidt bij hen tot een zelfde soort frustratie als de Franse kiezers moeten hebben ondervonden toen zij in de jaren zestig telkens weer werden geconfronteerd met vragen als “Zijt gij voor de Gaulle of voor de ondergang van Frankrijk?”
Het is namelijk de vraag of de “bestaande fundamentele tegenstellingen” wel een voldoende concrete basis vormen voor een consequente opdeling van het electoraat in twee fundamenteel tegengestelde kampen. Er is een aanzienlijke categorie kiezers die er weinig voor voelt zich zonder meer naar één van deze twee kampen te laten verwijzen. Dit zijn de mensen die zich afvragen of de tegenstellingen inderdaad wel zo fundamenteel zijn, of het begrip niet te ideologisch geforceerd en dus te abstract is, of het wel duidelijk is tot welke categorie zij zelf behoren wanneer het om bedeeldheid met inkomen, bezit, macht en kennis gaat en of er nooit enig conflict denkbaar is tussen nivellering en algemeen belang. Het zijn mensen die de behoefte aan vernieuwing in sommige gevallen evident vinden doch in andere minder, die zich bewust zijn van de onbeperkte variëteit in methoden om een gesteld doel te bereiken en die betwijfelen of altijd kan worden vastgesteld welke methoden “progressiever” zijn dan andere. Het zijn kortom mensen die juist een sterke behoefte voelen aan een niet-gepolariseerde, niet-confessionele, gematigd progressieve of centrumpartij, ongeveer zoals D’66 in haar beginperiode een ogenblik leek te worden.

Buitenland

De onaanvaardbaarheid van de indeling van alle vraagstukken in twee globale pakketten beleidsalternatieven treedt nog duidelijker aan het licht wanneer wij onze aandacht richten op de buitenlandse politiek. In de Verenigde Naties bijvoorbeeld staan twee onderwerpen centraal: de ontwikkelingssamenwerking en de bevrijding van de gebieden onder koloniale overheersing.
Ten aanzien van het eerste onderwerp neemt de Nederlandse regering een uitgesproken progressief standpunt in, maar ten aanzien van bevrijding en zelfbeschikking weigert zij zich neer te leggen bij het alternatief dat haar door de Verenigde Naties wordt opgedrongen. De landen die op de VN-nominatie staan om bevrijd te worden zijn namelijk Zimbabwe (Rhodesië), Namibië (Zuidwest-Afrika), Angola, Mozambique, Guinea-Bissau en Palestina. Elk jaar weer roept de Nederlandse delegatie eenzaam in de woestijn dat zuidelijk Afrika en het Midden-Oosten onvergelijkbare grootheden zijn, maar in de gepolariseerde Algemene Vergadering wordt aan dit inconsequente geluid al lang geen aandacht meer geschonken.