Regime change alleen in laatste instantie

Het valt moeilijk vol te houden dat ik al maanden niets nieuws op deze website heb gepost alleen omdat ik over Syrië niets te melden had. Ik heb inderdaad sinds mijn pensionering in januari 2001 niets met Syrië te maken gehad, maar zo’n tien jaar eerder ben ik ambtshalve tweemaal in Damascus geweest. Of mijn ervaringen in die stad nu nog de moeite van het vertellen waard zijn, kan ik niet goed beoordelen, maar ik weet wel dat zij voor mijzelf deel uitmaken van een proces dat er toe heeft geleid dat ik nu kan leven met een oplossing van de Syriëcrisis die het regime van Bashar al-Assad in enigerlei vorm laat voortbestaan.

Zo heb ik minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek op 5 mei 1991 vergezeld tijdens zijn bezoek aan de president van Syrië, Hafiz al-Assad. Hafiz (in 2000 overleden) was de vader van de huidige president Bashar al-Assad, op wiens aftreden tot voor kort nog door verschillende landen werd aangedrongen. Ter voorbereiding op dit bezoek had ik mij verdiept in de op BZ beschikbare verslagen van de slachting die het Syrische leger in februari 1982 op bevel van president Assad onder de burgers van de stad Hama had aangericht om een opstand van de Moslem Broederschap te onderdrukken. Naar de schatting van Robert Fisk van The Independent hadden 20.000 burgers in deze operatie het leven gelaten.

Met al dit bloedvergieten nog vers op mijn netvlies ervoer ik de kennismaking met president Assad als een verrassing. Niet alleen leek hij uiterlijk frappant op onze oud-minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw, hij bleek ook meer dan veel andere staatshoofden bereid en in staat tot een serieus en toch onderhoudend gesprek met een bezoekende minister van buitenlandse zaken van buiten de regio.

De volgende dag zouden wij doorvliegen naar Israel, en ik had mij voorgenomen in de ochtend in ieder geval nog de geheiligde Umayyad Moskee en de centrale bazaar, de Al-Hamidiyah Souq, te bezoeken. Met alle respect voor de prachtige moskee, voor dit verslag is alleen mijn bezoek aan de souq relevant. Ik raakte er namelijk als vanzelf in een openhartig gesprek met een joodse tapijtenverkoper, die tegenover mij – voor hem een willekeurige Nederlandse toerist – ongevraagd de lof van president Hafiz al-Assad begon te zingen. Dankzij Assad heerste er stabiliteit in Syrië en konden minderheden zoals joden en christenen er een normaal leven leiden. Assad behoorde als Alawiet zelf tot een minderheid en had daardoor begrip voor de noden van andere minderheden. Die moesten het hebben van een president die onverschrokken de seculiere maatschappij verdedigde, want een land als Syrië had de keus tussen òf een autoritaire leider òf een islamistisch bewind. Een derde optie (zoals democratie naar westers model) was er niet.

Ik heb deze conversatie de volgende jaren blijkbaar onverwerkt met mij meegedragen tot ik op 1 januari 1999 als Nederlands vertegenwoordiger in de VN Veiligheidsraad tot voorzitter van het Irak sanctiecomité werd benoemd. Eenmaal in New York werd ik mij al gauw bewust van de overeenstemming èn het verschil tussen Hafiz al-Assad, president van Syrië, en Saddam Hoessein, president van Irak. Beiden waren meedogenloos in hun verdediging van de seculiere staatsorde, maar Saddam Hoessein had door zijn obsessie met massavernietigingswapens zijn relatie met de Verenigde Staten totaal verprutst.

In de laatste twee Clinton-jaren (1999-2000) bestond er in Washington een groeiende consensus dat met Saddam Hoessein niet te werken viel, maar over de vraag wat daar de politieke consequenties van moesten zijn liepen de meningen uiteen. Zij die voorshands nog op ‘containment’ wilden blijven vertrouwen en de voorstanders van spoedige ‘regime change’ hielden elkaar eerst nog min of meer in evenwicht, maar tegen november 2000 – dus nog vóór de verkiezing van George W. Bush – waren door het onmiskenbaar naderende failliet van het wegens zijn humanitaire consequenties in diskrediet geraakte sanctieregime de voorstanders van voortgezette containment in de minderheid geraakt. Rond die tijd heb ik mij – niet als Nederlands vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad, ook niet als voorzitter van het Irak sanctiecomité, maar op strikt persoonlijke titel – tot regime change in Irak bekeerd. Ik was ervan overtuigd dat vooral door toedoen van Frankrijk, dat op resoluties die Irak betroffen automatisch met Rusland en China meestemde, het sanctieregime op zijn laatste benen liep. Ik koos voor regime change niet omdat ik met de neoconservatieve dromers in Washington geloofde dat als Saddam Hoessein eenmaal was uitgeschakeld het Iraakse volk vanzelf de democratie zou omhelzen, maar uitsluitend uit overwegingen van nonproliferatie. Ik citeer uit mijn kanttekening bij het rapport van de Commissie-Davids: “Het was in 2002 niet duidelijk hoe zonder de bereidheid van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zo nodig zonder mandaat van de Veiligheidsraad in Irak militair in te grijpen, nog kon worden voorkomen dat na de onafwendbare instorting van het sanctieregime Saddam Hoessein de enorme Iraakse olieopbrengsten zou gebruiken om zijn sluimerende kernwapenprogramma te reactiveren.”

Wat heeft dit nu met Syrië anno 2015 te maken? Alleen dat de Amerikaans-Britse inval in Irak van 2003 een geheel nieuwe vorm van proliferatie heeft ontketend, namelijk kalifaatvorming in voormalig Ottomaans gebied. Voorlopig beperkt zich deze tot stukken van Irak en Syrië, maar het staat voor mij vast dat dit verschijnsel een rechtstreeks gevolg is van de in 2003 door Bush en Blair ter hand genomen regime change. Als op 23 mei 2003 de chef van de Amerikaanse bezettingsautoriteit in Irak, Paul Bremer, niet zijn beruchte decreet tot ontbinding van het Iraakse leger had uitgevaardigd, zou Islamic State (IS, ISIL, ISIS of Daesh) nu waarschijnlijk niet bestaan.

Paul Bremer was van 1983 tot 1986 ambassadeur in Den Haag. Hij heeft in dit drama – Bush en Blair even buiten beschouwing gelaten – de hoofdrol gespeeld door buiten Secretary of State Colin Powell om, van de ene dag op de andere, 250.000 Iraakse militairen van hun status en inkomen te beroven. Veel van hen hebben toen al gauw hun weg naar Syrië gevonden.

Omdat dit volgens velen nog steeds de grootste fout is die door de Amerikanen na de inval in Iraq is begaan, zou ik dit verslag van Michael R. Gordon in de New York Times van 17 maart 2008 in uw aandacht willen aanbevelen:

http://www.nytimes.com/2008/03/17/world/middleeast/17bremer.html?pagewanted=all&_r=0