Westelijke Sahara: Nabeschouwing van de film documentaire ‘Sons of the Clouds’ – Polisario, Marokko, Algerije en het Internationaal Gerechtshof

Nabeschouwing door Peter van Walsum van de film documentaire ‘Sons of the Clouds’ (‘Hijos de las Nubes, la última colonia’) in het kader van het ‘Film by the Sea’ festival, Vlissingen, 20 september 2012. (‘Sons of the Clouds’ film director: Álvaro Longoria; film producer: Javier Bardem).

Dat was een boeiende documentaire, met veel archiefopnamen die ik nog niet kende en met een duidelijke politieke boodschap. Die luidde zoals wij van de makers mochten verwachten: Polisario heeft gelijk. Marokko moet dat nu eindelijk erkennen en toestaan dat er in de Westelijke Sahara een referendum wordt gehouden waarin onafhankelijkheid een van de opties is.

Maar juist omdat deze boodschap zelf zo voorzienbaar was, bevatte de film enkele verrassingen die van politieke betekenis zouden kunnen zijn. Twee daarvan wil ik graag onder uw aandacht brengen.

De rol van Algerije

Na mijn terreinverkennende eerste vier maanden als persooonlijk gezant van de Secretaris-Generaal voor de Westelijke Sahara heb ik in januari 2006 leden van de Veiligheidsraad laten weten dat volgens mij de sleutel tot de oplossing bij Algerije lag. Dit heeft tot zo’n verontwaardigde Algerijnse reactie aanleiding gegeven dat ik die mening verder voor mij heb gehouden maar wel hoe langer hoe meer van haar juistheid overtuigd ben geraakt. De stelling dat Algerije niet betrokken was bij het uitbreken van het conflict tussen Marokko en Polisario in januari 1976 wordt in de Verenigde Naties zelden hardop bestreden. Ik heb haar ook niet vaak hardop horen verdedigen, omdat niemand er veel voor voelt als naief te worden beschouwd.

Animositeit tussen Algerije en Marokko was in de tijd dat ik mij ambtshalve met het conflict bemoeide in de Verenigde Naties praktisch een taboe-onderwerp. Ik weet niet of het nu anders is, maar het is hoe dan ook verfrissend dat de film er zo onbevangen mee omgaat.

De provincies Tindouf en Béchar (nu deel van Algerije) werden vóór de Franse kolonisatie door Marokko zonder veel tegenspraak als Marokkaans beschouwd. Maar nadat Marokko in 1912 een Frans protectoraat was geworden terwijl Algerije al sinds 1848 Frans bezit was en voorgoed in het moederland was geïncorporeerd, groeide in Parijs de behoefte aan meer duidelijkheid omtrent de loop van de grenzen, vooral toen in het gebied ijzer, mangaan en olie werd gevonden. In 1952 wees Frankrijk daarom beide provincies definitief aan het Franse Algerije toe. In Marokko wekte dit verontwaardiging, omdat hier met één pennestreek van de regering in Parijs een potentieel rijke streek van Marokko naar Algerije werd overgeheveld met als enige reden dat het eerste land bestemd was om mettertijd onafhankelijk te worden en het tweede geacht werd tot in de eeuwigheid deel van Frankrijk te blijven.

De verontwaardiging nam later nog toe, toen Algerije – nadat Marokko in 1956 inderdaad onafhankelijk was geworden – door de koerswijziging van president de Gaulle in 1962 onverwachts ook onafhankelijk werd. Marokko greep deze gelegenheid aan om op historische gronden van Algerije de teruggave van Tindouf en Béchar te verlangen, maar deze eis werd door Algerije’s eerste president Ben Bella afgewezen. Het werd Marokko in Algiers toch al kwalijk genomen dat het met deze aanspraak kwam aanzetten op een moment dat Algerije nog bezig was van zijn bloedige en verwoestende bevrijdingsoorlog tegen Frankrijk te bekomen, maar de Marokkaans-Algerijnse betrekkingen werden voorgoed beschadigd toen de schermutselingen in het grensgebied in 1963 uitliepen op een werkelijke oorlog, de Guerre des Sables (Zandoorlog). De oorlog kon dankzij prompte bemiddeling door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en de Arabische Liga na drie weken weer beëindigd worden, maar het kwaad was geschied.

Tot hier mijn persoonlijke impressie van wat zich zo’n halve eeuw geleden tussen Marokko en Algerije heeft afgespeeld. Persoonlijk, omdat zoals gezegd dit niet een onderwerp is waar in New York gemakkelijk over gesproken wordt. Marokko zwijgt er liever over omdat het militair gesproken geen erg glorieuze operatie is geweest, maar Algerije heeft een veel politiekere reden om het onderwerp te mijden: het wil voorkomen dat de indruk ontstaat dat het zich in de kwestie van de Westelijke Sahara heeft gemengd omdat het met Marokko nog een appeltje te schillen had.

Het is interessant te zien dat de film zich van al die taboes niets aantrekt. Er wordt diep op de betrekkingen tussen Marokko en Algerije ingegaan. Het begint met een mening die alleen aan de film zelf kan worden toegeschreven, omdat zij niet geuit wordt door iemand die geïnterviewd wordt maar rechtstreeks door de voice-overwordt uitgesproken. Zo horen we dat ‘Polisario, volledig gesteund door Algerije en Libië, in 1976 het Marokkaanse leger aanviel. Algerije, een nauwe bondgenoot van Rusland, bewapende Polisario; de Verenigde Staten en Frankrijk bewapenden Marokko.’ Einde citaat.

De voormalige premier van Spanje Felipe González geloofde niet in deze betrokkenheid van Algerije bij het ontstaan van het conflict. Hij vertelt ons in de film dat Marokko uit nationale trots aan het begin van het conflict een zeer ernstige fout beging door te denken dat Polisario niet zijn gesprekspartner kon zijn. Marokko was Marokko en Polisario was niets, zo dacht men. Marokko’s fout was te denken dat de werkelijke tegenstander – zonder wie er helemaal geen conflict zou zijn – Algerije was. En plotseling bewezen de Marokkanen Algerije een geweldige dienst door het een rol te geven in een conflict waarmee het niets van doen had.

Het officiële Algerijnse standpunt had niet beter onder woorden kunnen worden gebracht. Maar dit wordt meer dan gecompenseerd door de twee Algerijnse journalisten die hierna in de film aan het woord komen. Teyeb Belghuiche beantwoordt de vraag of Algerije aan Polisario wapens leverde met: ‘O ja, zeker leverde het die. Wapens, levensmiddelen, hulp aan de burgerbevolking: alles.’ Daarna spreekt de in Frankrijk in ballingschap levende Algerijnse journalist Said Kaced zonder blad voor de mond te nemen over de animositeit tussen Algerije en Marokko. Die valt volgens hem vooral terug te voeren op de Zandoorlog van 1963. Ik citeer: ‘Sindsdien leven de beide landen in een staat van permanent conflict. Het is alsof Algerije en Marokko in het conflict om de Westelijke Sahara een kristallisatiepunt hebben gevonden van hun vijandschap, hun onenigheid, ja zelfs hun ….. haat.’

De rol van het Internationaal Gerechtshof

De andere verrassing waar de film ons op onthaalt is het feit dat hij nauwelijks melding maakt van het advies (de Advisory Opinion, zoals het in het Statuut heet) dat het Internationaal Gerechtshof in Den Haag op 16 oktober 1975 heeft afgegeven. Het is mij een raadsel waarom de film daar vrijwel geen aandacht aan besteedt. Alleen tegen het eind van de film wordt er terloops naar verwezen door Stephen Zunes van de Universiteit van San Francisco, die het over een ‘landmark World Court decision’ heeft. Er is maar één historische uitspraak van het Hof die met de Westelijke Sahara te maken heeft en dat is de Advisory Opinion van oktober 1975, maar waarom legt de film dan niet uit wat er toen precies is gebeurd?

De terughoudendheid van de film is onbegrijpelijk omdat de uitspraak van het Hof niet anders dan als een grote triomf voor Polisario kan worden beschouwd. Dat effect wordt nog versterkt door de merkwaardige omstandigheden waaronder het Haagse advies tot stand is gekomen.

Even in een paar woorden de voorgeschiedenis. Toen Marokko in 1956 de onafhankelijkheid verwierf, herbevestigde het zijn traditionele aanspraak op de door Spanje bestuurde Westelijke Sahara. Daar werd toen door niemand veel aandacht aan geschonken; het Marokkaanse standpunt was voldoende bekend. Maar in 1974 kreeg de Marokkaanse claim in korte tijd actuele betekenis. Op 25 april van dat jaar had namelijk in Portugal de Anjerrevolutie een voorbeeldig dekolonisatieproces in gang gezet. De Spaanse dictator Franco was inmiddels 81 en had prins Juan Carlos als zijn opvolger aangewezen. Vrijwel iedereen in Spanje begreep dat een vorm van democratisering ook daar niet kon uitblijven. Tegen die achtergrond maakte de Spaanse regering op 20 augustus 1974 bekend dat in de eerste helft van 1975 in overeenstemming met resolutie 1514 van de Algemene Vergadering in de Westelijke Sahara een referendum over zelfbeschikking zou worden gehouden.{1} Om dit mogelijk te maken zou Spanje nog vóór het eind van het jaar een volkstelling uitvoeren om vast te stellen wie in het referendum stemgerechtigd zouden zijn. Marokko verklaarde onmiddellijk dat het niet kon instemmen met het houden van een referendum waarin onafhankelijkheid een van de opties zou zijn.

Koning Hassan II besefte dat de door Spanje aangekondigde volkstelling een proces in gang zou zetten dat het voor Marokko moeilijk zou maken zijn standpunt internationaal aanvaard te krijgen. Dat standpunt was dat in het geval van de Westelijke Sahara resolutie 1514 niet aan de orde was omdat op het moment van de Spaanse terugtrekking de dekolonisatie van het gebied zou worden verwezenlijkt door herstel van de prekoloniale situatie waarin Marokko en de Westelijke Sahara één land vormden.

Koning Hassan maakte daarom in september 1974 bekend dat hij via de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het Internationaal Gerechtshof zou verzoeken om over de status van het gebied vóór de Spaanse kolonisatie een Advisory Opinion af te geven. Dit initiatief had procedureel een lange weg te gaan, maar op 16 oktober 1975 werd de uitspraak van het Hof in De Haag gepubliceerd.

Tot vreugde van Marokko constateerde het Hof dat er ten tijde van de kolonisatie door Spanje rechterlijke banden tussen de Westelijke Sahara en het Koninkrijk Marokko hadden bestaan. Maar onmiddellijk daarop stelde het vast dat het geen rechterlijke banden had gevonden van zodanige aard dat de toepasselijkheid van resolutie 1514 erdoor zou kunnen worden aangetast, en wel vooral van het beginsel van zelfbeschikking door de vrije en werkelijke uitdrukking van de wil van de volken van het gebied.

Een sensationele triomf voor Polisario. Inderdaad, een ‘landmark decision.’ Maar waarom wordt dat in de film niet uitbundig gevierd – of tenminste vermeld? (De Groene Mars, die drie weken later door Hassan werd gelanceerd, komt in de film wel uitvoerig aan de orde.) Een verklaring voor de geringe aandacht voor de uitspraak van het Hof zou kunnen zijn dat de triomf onmiddellijk plaats maakte voor het besef dat een Advisory Opinion van het Hof geen bindende kracht heeft. Plechtige verklaringen zonder bindende kracht zijn niets bijzonders in de Verenigde Naties. Een advies van het Internationaal Gerechtshof heeft geen bindende kracht, en een resolutie van de Algemene Vergadering heeft het evenmin. En zo kom ik terug bij de bijdrage van Stephen Zunes van de Universiteit van San Francisco. Hij begrijpt niet hoe de internationale gemeenschap lijdelijk kan toezien terwijl een land zich schuldig maakt aan ‘zo’n duidelijke schending van het volkenrecht, van resoluties van de Veiligheidsraad, van een historische beslissing van het Internationaal Gerechtshof …. Als zij nog niet eens haar verplichtingen kan nakomen in iets zo fundamenteels als dit, hoe kan zij dan omgaan met de veel complexere vraagstukken waarmee de wereld vandaag wordt geconfronteerd?’ Einde citaat.

De film toont hier heel precies aan waarom de kwestie Westelijke Sahara zo onoplosbaar is. Hoe kan een Midden-Oosten-expert van een Amerikaanse universiteit in alle ernst beweren dat de zelfbeschikking van de Westelijke Sahara eigenlijk helemaal geen moeilijk vraagstuk is? In zijn opsomming van alles wat door Marokko geschonden is noemt Zunes ook resoluties van de Veiligheidsraad. Inderdaad, dat orgaan kan wèl bindende resoluties aannemen maar heeft dat in de kwestie Westelijke Sahara nooit gedaan. De Veiligheidsraad heeft zich jaar in jaar uit verplicht Marokko en Polisario bij te staan bij het vinden van een duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing die voorziet in zelfbeschikking voor het volk van de Westelijke Sahara. Het lijkt mij niet vol te houden dat als Marokko en Polisario daar samen niet in slagen, Marokko daarmee deze of gene Veiligheidsraadsresolutie geschonden heeft.

De Veiligheidsraad is een politiek orgaan. Als de Raad van mening is dat Marokko met zijn daden de internationale vrede en veiligheid in gevaar brengt, kan hij daar onder hoofdstuk VII van het Handvest tegen optreden. Dat kan in laatste instantie gebruik van geweld inhouden. Ik noem dat extreme geval maar even, omdat het onmiddellijk aangeeft hoe ondenkbaar het is dat deze weg ooit zal worden bewandeld. De film wekt de indruk dat Marokko zijn gang kan gaan omdat het van de steun van Frankrijk en de Verenigde Staten verzekerd is, maar Marokko heeft van de hele Veiligheidsraad niets te vrezen, ook niet van China en Rusland, die echt geen behoefte hebben aan een opzienbarend Veiligheidsraadsdebat over de vraag of een bepaald onafhankelijkheidsstreven als secessie of als dekolonisatie moet worden aangemerkt.

Ook onder de meeste niet-permanente leden bestaat weinig animo om Marokko met dwangmaatregelen tot het toelaten van een referendum met de optie van onafhankelijkheid te bewegen. De groep van tien niet-permanente leden verandert elk jaar van samenstelling, maar vanaf 1975 heeft zich daar meer steun voor hetbeginsel van zelfbeschikking gemanifesteerd dan voor de realiteit van de verlening van onafhankelijkheid aan een gebied dat zo groot is als Groot-Brittannië en in 1974 nog geen 75.000 inwoners telde.

Marokko heeft nu al 37 jaar lang gedemonstreerd dat het zich door geen enkel orgaan van de Verenigde Naties zal laten bewegen tot instemming met een proces dat op onafhankelijkheid voor de Westelijke Sahara kan uitlopen. In een situatie die zo onwrikbaar vastzit, is het de vraag of men Polisario een dienst bewijst door het aan te sporen ondanks alles voet bij stuk te houden. Ik ben van mening dat Polisario op grond van het advies van het Internationaal Gerechtshof volkenrechtelijk sterker staat dan Marokko, maar ik heb mij er altijd van weerhouden verder strekkende steun voor de positie van Polisario uit te spreken, omdat ik daarmee valse verwachtingen zou wekken. Polisario heeft misschien gelijk maar zal van de Veiligheidsraad geen gelijk krijgen. Wie dat beseft en desondanks Polisario aanmoedigt nooit met minder dan volledige onafhankelijkheid genoegen te nemen, maakt de impasse onwrikbaarder dan zij zou hoeven te zijn.

De moraal maakt het ons hier niet gemakkelijk. Maar ik zou Polisario toch willen aanmoedigen een oplossing van minder dan volledige onafhankelijkheid – maar dan wel met echte autonomie (‘een autonomie met tanden’) – tenminste serieus te exploreren en niet bij voorbaat principieel van de hand te wijzen. Dat is misschien minder immoreel dan nog een generatie jonge Sahrawi’s ertoe te veroordelen in de kampen van Tindouf op te groeien.

____________

1. Resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die op 14 december 1960 is aangenomen, betreft de ‘verlening van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken.’ Zij schrijft voor dat dekolonisatie moet plaatsvinden in overeenstemming met de vrijelijk tot uitdrukking gebrachte wil en wens van de inwoners van het gebied in kwestie om hen in staat te stellen volledige onafhankelijkheid en vrijheid te genieten.
GO BACK